In deze bestuursrechtelijke zaak staat de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep bij een naheffingsaanslag parkeerbelasting centraal. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar ten onrechte een te lage vergoeding per punt hanteerde en dat de proceskostenvergoeding in bezwaar niet was vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat de lagere vergoeding in strijd is met het discriminatieverbod en wijst een hogere vergoeding toe op basis van de geldende jurisprudentie.
De rechtbank vernietigt het deel van de uitspraak op bezwaar dat de proceskostenvergoeding niet vaststelde en bepaalt dat de heffingsambtenaar alsnog een vergoeding moet toekennen met een waarde van € 647,- per punt in de bezwaarfase. Daarnaast wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep, inclusief een vergoeding voor een op verzoek van de rechtbank ingediende repliek, met een wegingsfactor van 0,5.
De rechtbank gaat uit van samenhangende zaken en stelt de totale proceskostenvergoeding per zaak vast op circa € 910,41. Tevens wordt het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier M.A. Barmentlo op 12 december 2025.