In deze bestuursrechtelijke zaak staat de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting centraal. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar onterecht een lagere waarde per punt hanteerde dan toegestaan volgens recente jurisprudentie. De rechtbank bevestigt dat de lagere vergoeding in strijd is met het discriminatieverbod en wijst een hogere vergoeding toe op basis van de geldende richtlijnen.
Daarnaast behandelt de rechtbank de proceskostenvergoeding in de beroepsfase. Eiser vraagt een hogere wegingsfactor toe te passen dan de heffingsambtenaar voorstelt, mede vanwege het indienen van een repliek op verzoek van de rechtbank. De rechtbank kent deze vergoeding toe met een wegingsfactor van 0,5 en wijst een vergoeding toe voor de hoorzitting zonder matiging.
De rechtbank erkent dat de zaken samenhangend zijn en stelt de totale proceskostenvergoeding vast op €3.641,63, wat neerkomt op circa €910,41 per zaak. Tevens wordt het door eiser betaalde griffierecht van €51,- vergoed. De uitspraak vernietigt het eerdere besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en vervangt dit door de nieuwe toekenning.