ECLI:NL:RBMNE:2025:6823

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/1478
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep met betrekking tot parkeerbelasting

In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 december 2023, waarbij de heffingsambtenaar bij een gegrond bezwaar heeft nagelaten de proceskostenvergoeding vast te stellen. De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 29 oktober 2025, waar de gemachtigde van eiser en de heffingsambtenaar aanwezig waren. Eiser stelt dat de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte niet is vastgesteld en dat de uitbetaalde vergoeding te laag is. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift erkend dat hij de proceskostenvergoeding niet heeft vastgesteld in de bestreden uitspraak. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, waarin is bepaald dat de lagere waarde per punt in belastingzaken in strijd is met het discriminatieverbod. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden uitspraak, waarbij de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 647,- per procespunt. Daarnaast wordt de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van eiser in beroep, die worden vastgesteld op € 910,41. De heffingsambtenaar moet ook het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden. De uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen op 12 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1478

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: J.A. Deckers)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)

Inleiding

1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 december 2023 (de bestreden uitspraak), waarbij de heffingsambtenaar bij een gegrond bezwaar heeft nagelaten de proceskostenvergoeding vast te stellen.
2. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
3. De zaak is behandeld op de zitting van 29 oktober 2025. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

4. In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
5. Eiser voert aan dat de hoogte van proceskostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte niet is vastgesteld en dat de (uiteindelijk) uitbetaalde proceskostenvergoeding te laag is. Volgens eiser is de heffingsambtenaar onterecht uitgegaan van een waarde van € 310,- per punt, terwijl de heffingsambtenaar € 624,- per punt had moeten toekennen. Ter onderbouwing daarvan verwijst eiser naar de conclusie van advocaat-generaal (A-G) Koopman van 1 maart 2024. [1]
5.1
De heffingsambtenaar is het met eiser eens dat hij heeft nagelaten de proceskostenvergoeding vast te stellen in de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft namelijk niet vermeld welke proceshandelingen voor vergoeding in aanmerking komen en welke wegingsfactor daarbij wordt gehanteerd. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat (de uitbetaalde) proceskostenvergoeding in bezwaar als volgt is vastgesteld: 2 punten (1 voor het bezwaarschrift en 1 voor de hoorzitting) á € 310,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak. De heffingsambtenaar heeft daarnaast bevestigd dat dit bedrag op 12 maart 2024 is uitbetaald aan de gemachtigde van eiser.
5.2
De rechtbank wijst allereerst op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 [2] waarin is bepaald dat de lagere waarde per punt in zaken met betrekking tot de heffing van belastingen in de bezwaarfase in strijd is met het discriminatieverbod. Dit betekent dat in de bezwaarfase in zaken met betrekking tot de heffing van belastingen net als bij andere bestuursrechtelijke zaken een waarde per punt moet worden gehanteerd van € 647,-. Hieruit volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigen en alsnog een proceskostenvergoeding toekennen uitgaande van een waarde van € 647,- per procespunt in de bezwaarfase.
Proceskosten in beroep
6. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep.
6.1
Eiser stelt zich op het standpunt dat in de beroepsfase sprake moet zijn van een proceskostenvergoeding met de wegingsfactor ‘licht’. De wegingsfactor ‘zeer licht’, waar de heffingsambtenaar voor pleit in zijn verweerschrift, is namelijk bedoeld voor situaties waarbij sprake is van tik- of rekenfouten, dan wel een situatie waarbij nauwelijks inspanning is geweest van een rechtshulpverlener. [3] Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verder nog verzocht om 0,5 punt voor het indienen van een repliek op het verweerschrift.
6.2
De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van samenhangende zaken en dat de wegingsfactor 0,25 in het kader van de proceskosten in beroep hierop van toepassing is. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar ook nog verzocht om een matiging van de vergoeding voor de hoorzitting omdat de zaken gemiddeld twee à drie minuten werden behandeld.
6.3
De rechtbank kent een vergoeding toe voor het indienen van een repliek, omdat dit op verzoek van de rechtbank is gedaan. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de heffingsambtenaar heeft verzocht, een wegingsfactor van 0,25 in beroep toe te passen. Gelet op het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 kent de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 toe. [5] De rechtbank ziet evenmin aanleiding de vergoeding voor de hoorzitting te matigen, omdat de heffingsambtenaar dit standpunt niet nader heeft onderbouwd en pas op de zitting heeft aangevoerd.
Samenhangende zaken
6.4
De rechtbank gaat voor de proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep ervan uit dat de zaken met de nummers UTR 24/1477, UTR 24/1478, UTR 24/1479 en UTR 24/1480 samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zijn. De gelijkluidende bezwaar- en beroepschriften zijn door dezelfde gemachtigde ingediend en (nagenoeg) gelijktijdig behandeld op de hoorzitting en de zitting behandeld.
Hoogte van de totale proceskostenvergoeding en het griffierecht
6.5
De rechtbank stelt de proceskosten, met inachtneming van het voorgaande, op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 3.641,63 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 647,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een repliek en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 907,-, vermenigvuldigd met 1,5). Per zaak komt de proceskostenveroordeling daarmee uit op (€ 3.641,63 / 4 =) (afgerond) € 910,41.
6.6
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.
6.7
Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ moet de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De heffingsambtenaar moet de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en in beroep vergoeden. Ook moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de toekenning van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 910,41.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Conclusie Advocaat-Generaal Koopman 1 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:235.
2.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
3.Eiser verwijst in dit kader naar verschillende uitspraken, namelijk: Hof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10307, Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3775 en Hof Amsterdam 20 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1934.
4.Zie artikel 8:43, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. artikel 2, eerste lid onder a van het Bpb en bijlage A1 onder 3 van het Bpb.
5.Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onderdeel 1.3.c, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.