ECLI:NL:RBMNE:2025:6685

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/6752
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling en geschil over arbeidsongeschiktheid

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 12 december 2025 uitspraak gedaan over de beëindiging van de WIA-uitkering van eiseres na een herbeoordeling door het Uwv. Eiseres, die eerder een loongerelateerde WGA-uitkering had ontvangen, werd op 15 november 2023 opnieuw beoordeeld om vast te stellen of zij nog recht had op de WIA-uitkering. De verzekeringsarts van het Uwv concludeerde dat eiseres niet meer dan 31,53% arbeidsongeschikt was, wat leidde tot de beëindiging van haar uitkering per 20 maart 2024. Eiseres maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het Uwv handhaafde het besluit na een heronderzoek. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling door het Uwv voldoende was onderbouwd en dat er geen aanleiding was voor een spreekuurcontact met een verzekeringsarts. Eiseres voerde aan dat haar beperkingen waren onderschat en dat de medische beoordeling onzorgvuldig was, maar de rechtbank volgde deze argumenten niet. De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres ongegrond en bepaalde dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht moest vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: UTR 24/6752
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 op het beroep in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats] , eiseres,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder.
(gemachtigde: R. van den Brink)

Inleiding

1. Eiseres werkte als [functie] bij [bedrijf] B.V. voor gemiddeld 38,81 uur per week. Op 21 februari 2018 heeft zij zich voor dit werk (deels) ziekgemeld waarna zij door het Uwv in aanmerking is gebracht voor een Ziektewetuitkering. Op 15 oktober 2019 heeft zij zich volledig ziek gemeld. Per einde wachttijd, 11 juni 2020, heeft eiseres een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend gekregen, op grond van de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (de Wet WIA). De uitkering is dan gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, omdat eiseres haar eigen werk niet kan doen en onvoldoende voorbeeldfuncties kunnen worden geduid. Per 11 maart 2021 is de uitkering omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering.
2. Op verzoek van het Uwv Werkbedrijf heeft het Uwv per 15 november 2023 beoordeeld of eiseres nog steeds voor de WIA-uitkering in aanmerking komt. Hiervoor moet vast komen staan dat eiseres haar eigen werk als [functie] niet kan doen, en ook met passend werk (andere functies) voor 35% of meer arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
3. Een arts van het Uwv heeft hiervoor de medische toestand van eiseres onderzocht en haar klachten en aandoeningen vertaald naar arbeidsbeperkingen. De arts heeft de beperkingen van eiseres vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 20 november 2023. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat eiseres haar eigen werk als [functie] vanwege deze beperkingen niet kan doen. Hij heeft het maatmaninkomen van eiseres vastgesteld (het inkomen dat zij had voordat zij ziek werd) en drie functies voor eiseres geselecteerd die zij volgens hem wél kan doen, ondanks haar beperkingen uit de FML. Door het uurloon in de middelste functie (de functies staan op volgorde van uurloon) af te zetten tegen het maatmanuurloon van eiseres, heeft de arbeidsdeskundige berekend dat zij met die functie 68,47% kan verdienen van het inkomen dat zij had voordat zij ziek werd. Voor de overige 31,53% moet eiseres daarom arbeidsongeschikt worden beschouwd. Dit is minder dan 35%. Met het besluit van 22 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de WIAuitkering van eiseres daarom, na een uitlooptermijn, per 20 maart 2024 beëindigd.
4. Eiseres heeft op 1 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Omdat een beslissing van het Uwv op haar bezwaarschrift uitbleef heeft eiseres het Uwv in gebreke gesteld en uiteindelijk beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit. Dit beroep is door deze rechtbank met de uitspraak van 9 december 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres het griffierecht niet zou hebben betaald. [1] Eiseres heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Bij uitspraak van 12 februari 2025 is dat gegrond verklaard [2] , waarna de behandeling van het beroep van eiseres tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit is voortgezet.
5. In de tussentijd hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heronderzoek verricht. Zij hebben de beoordeling van de eerste arts en de eerste arbeidsdeskundige bevestigd. Met het besluit van 27 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv alsnog een beslissing genomen op het bezwaarschrift van eiseres, door de beëindiging van de WIAuitkering van eiseres in stand te laten. Eiseres is het hier niet mee eens. Het beroep van eiseres tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit is daarom van rechtswege gericht tegen het bestreden besluit. [3]
6. Omdat het Uwv alsnog een beslissing op haar bezwaarschrift heeft genomen, heeft eiseres haar beroep voor zover dat nog was gericht tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit, ingetrokken. Zij heeft de rechtbank wel gevraagd om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij voor dat beroep heeft gemaakt.
7. Eiseres heeft haar beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit aangevuld met beroepsgronden. Ter onderbouwing heeft zij informatie van haar psychotherapeut van 8 januari 2025 meegestuurd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 9 juli 2025 heeft de rechtbank het Uwv verzocht om een nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op haar keuze om in de bezwaarfase af te zien van een spreekuurcontact met eiseres. Hierop heeft het Uwv een rapport ingediend van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 juli 2025. Eiseres heeft daar schriftelijk op gereageerd.
8. Het beroep is op 2 september 2025 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Proceskosten inzake het beroep tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit
9. Omdat de beslistermijn van het Uwv was verlopen en het Uwv niet binnen twee weken nadat hij door eiseres in gebreke is gesteld alsnog heeft beslist op het bezwaarschrift van eiseres, heeft eiseres terecht beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit. Normaal gesproken veroordeelt de rechtbank het Uwv dan in de proceskosten van eiseres, maar de rechtbank is in dit geval niet van proceskosten gebleken. Eiseres heeft geen professionele rechtsbijstandsverlener in de arm genomen en zij heeft ook niet om andere proceskosten verzocht. Wel moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,--, aan haar vergoeden.
Beroep tegen het bestreden besluit
10. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat de medische beoordeling onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat haar beperkingen zijn onderschat. Het Uwv blijft bij het bestreden besluit en verwijst ter onderbouwing naar de rapporten van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De rechtbank moet aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, beoordelen of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht heeft vastgesteld op 31,53%. Daarbij gaat het om de medische toestand van eiseres op 20 maart 2024 (de datum waarop de WIA-uitkering van eiseres is beëindigd).
Beoordelingskader
11. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
 op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
 geen tegenstrijdigheden bevatten, en;
 voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Hoe eiseres zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, is daarvoor niet genoeg.
Voldoet de medische beoordeling aan de voorwaarden?
12. Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft haar beoordeling (mede) gebaseerd op het rapport van de eerste arts, terwijl dat rapport allerlei onjuistheden bevat en onvolledig is. Zo heeft de eerste arts eiseres op het spreekuur vreemde en irrelevante vragen gesteld en had hij zijn rapport al uitgebracht nog vóórdat hij de informatie van de neuroloog en somnoloog had ontvangen. Eiseres heeft dit in haar bezwaarschrift al aan de orde gesteld en specifiek verzocht om een spreekuurcontact met een (wél goed geïnformeerde) verzekeringsarts. Desondanks heeft er geen spreekuurcontact met de verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgevonden. In het licht hiervan doet eiseres ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres heeft een medewerker van het Uwv haar telefonisch toegezegd dat er een spreekuurcontact met een verzekeringsarts zou plaatsvinden in bezwaar en staat dit ook in diverse brieven van het Uwv. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat zij in bezwaar in feite ook niet is gehoord door het Uwv. Er heeft wel een telefonische hoorzitting plaatsgevonden maar daar was geen verzekeringsarts bij aanwezig, zodat de medische bezwaargronden van eiseres inhoudelijk niet konden worden besproken. De hoorzitting was dan ook een wassen neus volgens eiseres.
13. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres haar betoog over de hoorzitting in bezwaar pas op de zitting voor het eerst naar voren heeft gebracht. Hierdoor heeft het Uwv, maar ook de rechtbank, daar in beroep niet adequaat op kunnen reageren. Geschilpunten moeten uiterlijk tien dagen voor de zitting aan de orde zijn gesteld. [4] Naar het oordeel van de rechtbank verzet de goede procesorde zich er dan ook tegen om de beroepsgrond over de hoorzitting bij de beoordeling van de zaak te betrekken. De rechtbank laat deze grond daarom buiten beschouwing.
14. In de rest van haar betoog, volgt de rechtbank eiseres niet. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat er voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel sprake moet zijn van een toezegging zonder voorbehouden, die aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend en die een gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt die moet worden gehonoreerd. [5] Eiseres heeft haar beroep op het vertrouwensbeginsel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende handen en voeten gegeven. De brieven van het Uwv waar eiseres op wijst bevatten wel informatie over de mogelijkheid van een hoorzitting en/of spreekuurcontact met een verzekeringsarts in de bezwaarfase, maar in geen van de brieven staat dát dit plaats zal vinden. Eiseres heeft de telefonische toezegging ook niet verder kunnen onderbouwen. De gemachtigde van het Uwv heeft hier op de zitting over gezegd dat hij allereerst niet weet hoe het specifieke telefoongesprek met eiseres is verlopen, maar dat het niet gebruikelijk is dat medewerkers van het Uwv telefonisch toezeggingen doen. In principe worden er altijd voorbehouden gemaakt, juist om te voorkomen dat er verwachtingen worden gewekt die niet na (kunnen) worden gekomen. Medewerkers van het Uwv worden hier op getraind. Alles samengenomen, is de rechtbank onvoldoende gebleken van een ondubbelzinnige toezegging, zodat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.
15. Over het ontbreken van een spreekuurcontact met de verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt de rechtbank als volgt. In de situatie waarin de medische grondslag van het besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin er in de primaire fase geen spreekuurcontact is geweest met een geregistreerde verzekeringsarts, geldt volgens vaste rechtspraak van de CRvB als uitgangspunt dat er in de bezwaarfase een spreekuurcontact plaatsvindt met een verzekeringsarts. Hiervan kan in beginsel slechts worden afgezien als de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat een spreekuurcontact in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, geen toegevoegde waarde heeft. [6]
16. In haar rapport van 6 december 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat een fysiek onderzoek niet noodzakelijk is, omdat er voldoende medische informatie in het dossier zit en de datum in geding (20 maart 2024) maanden geleden is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daar de aard van de klachten van eiseres echter niet bij betrokken, zodat deze motivering gelet op voornoemde rechtspraak niet toereikend is. Het bestreden besluit is op dit punt dus gebrekkig gemotiveerd.
17. De rechtbank heeft het Uwv daarom verzocht om een aanvulling. Hierop heeft het Uwv het rapport van 29 juli 2025 ingediend, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend heeft overwogen dat er geen aanleiding voor een spreekuur was, omdat de eerste arts eiseres uitgebreid heeft gesproken en uit de informatie van de neuroloog en somnoloog blijkt dat de (meer)klachten van eiseres niet medisch objectiveerbaar zijn en deels worden veroorzaakt door externe factoren.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee alsnog toereikend gemotiveerd waarom er van een spreekuurcontact kon worden afgezien. Daarbij wijst de rechtbank erop dat voor zover de beoordeling van de eerste arts op de door eiseres genoemde punten al onjuist en onvolledig is, dat op zichzelf nog niet betekent dat er in bezwaar een spreekuurcontact met een verzekeringsarts moet plaatsvinden. Ook dan kan het immers zijn dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie. Tot slot ziet de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de neuroloog en somnoloog (kenbaar) bij haar beoordeling heeft betrokken.
19. Het voorgaande betekent dat de gebrekkige motivering van het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 juli 2025 is hersteld. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres (los van het feit dat zij genoodzaakt was beroep in te stellen) niet is benadeeld door het motiveringsgebrek. Eiseres heeft in beroep nog op het rapport van 29 juli 2025 kunnen reageren. De rechtbank zal het motiveringsgebrek daarom passeren. [7] Dat betekent dat deze beroepsgrond slaagt, maar gelet op het herstel in beroep niet leidt tot een gegrond beroep en vernietiging van het bestreden besluit.
Is het medisch onderzoek juist?
20. Eiseres voert aan dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij is dusdanig vermoeid dat zij niet in staat is om te autorijden. De extreme vermoeidheid heeft ook tot gevolg dat eiseres kampt met hoofdpijn, overgevoelig is voor prikkels, scheel kijkt (zich niet kan focussen), en dat zij geregeld vergeetachtig en verward is. Hiervoor zijn ten onrechte geen beperkingen aangenomen in de FML. Ook is er ten onrechte geen (verdergaande) urenbeperking voor eiseres aangenomen. Dat eiseres nu zij voor haar kinderen zorgt en huishoudelijke taken doet, ook wel 8 uur per dag en 40 uur per week zou kunnen werken is te kort door de bocht. De specifieke slaapstoornis van eiseres maakt nu juist dat de gevolgen van een gebroken nacht bij de zorg voor kleine kinderen, voor haar vele malen groter zijn dan voor iemand zonder slaapstoornis. De (meer)klachten die eiseres hiervan ondervindt worden dus wel degelijk geobjectiveerd door de slaapstoornis. Hier heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen rekenschap van gegeven. Ter onderbouwing wijst eiseres op de drie tussenuitspraken van 17 juli 2025 van de Centrale Raad van Beroep waarin het ging om de vaststelling van arbeidsongeschiktheid bij CVS/ME. [8]
21. De rechtbank volgt eiseres niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij eiseres uitgegaan van een gefragmenteerd slaappatroon met te veel waakmomenten, zonder intrinsieke stoornis en een normale REM periodes. Voor de verminderde mentale flexibiliteit en afgenomen stressbelastbaarheid overdag zijn beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren van eiseres. In verband met de slaapproblematiek is eiseres in de FML beperkt geacht voor ’s nachts werken en onregelmatige werktijden. Dit is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep van belang voor een goed slaap(bio)ritme. Tot slot is rekening gehouden met een licht verhoogde recuperatietijd door in de FML op te nemen dat eiseres gemiddeld ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week kan werken.
22. De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Deze zijn in lijn met de medische informatie van de neuroloog en somnoloog. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende duidelijk toegelicht hoe zij tot de door haar vastgestelde beperkingen is gekomen. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Gelet op het onder 11. omschreven beoordelingskader, lag het op de weg van eiseres om de door haar geclaimde aanvullende beperkingen te onderbouwen met (nieuwe) medische informatie. Eiseres heeft in beroep een brief van haar psychotherapeut overgelegd, maar die informatie ziet niet op de medische toestand van eiseres op of rond 20 maart 2024, de datum waar het in deze zaak om gaat.
23. Dat er in de FML andere of minder verregaande beperkingen zijn gekoppeld aan de klachten van eiseres dan zij zelf voorstaat, maakt niet dat de medische beoordeling onjuist is. Het is de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts om op basis van medisch objectiveerbare klachten (klachten die steun vinden in de bevindingen van een arts of medisch behandelaar) arbeidsbeperkingen vast te stellen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de normaalwaarden in de FML een niveau van functioneren vertegenwoordigen waar gezonde personen in de leeftijd van 16 tot 65 jaar minimaal toe in staat zijn. De normaalwaarden vertegenwoordigen dus al een vrij laag niveau. Zo houdt de normaalwaarde voor het ‘vasthouden van de aandacht’ bijvoorbeeld in dat de betrokkene zich minstens een half uur moet kunnen richten op één informatiebron. Verder volgt uit het Claim Beoordelings en Borgingssysteem (CBBS) dat een beperking voor vervoer alleen is aangewezen als ook vervoer per fiets of het OV niet mogelijk is. Een beperking voor beroepsmatig vervoer is alleen aangewezen als er medische en daarmee samenhangende wettelijke factoren zijn die maken dat de betrokkene ongeschikt is voor het beroepsmatig besturen van een voertuig. Dat hier sprake van zou zijn bij eiseres, is niet met medische informatie onderbouwd.
24. Voor de door eiseres voorgestane verdergaande urenbeperking, ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot slot geen aanleiding. Zij wijst hiervoor naar de informatie van de neuroloog en somnoloog waar ook uit blijkt dat eiseres te vroeg naar bed ging en te lang in bed lag. Een gebrekkige slaaphygiëne geeft geen aanleiding voor het aannemen van beperkingen, omdat de klachten die daaruit ontstaan niet het rechtstreeks gevolg zijn van ziekte of gebrek. Na het aanpassen van de slaaphygiëne (korter in bed liggen) ontstond bovendien verbetering, zo blijkt uit de brief van de somnoloog van 7 oktober 2019. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen.
25. Ook het feit dat eiseres ’s nachts meermaals wordt onderbroken in haar slaap door haar kinderen, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek, zodat daar geen beperkingen voor kunnen worden aangenomen. Ook hierin volgt de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat huishoudelijke taken, opvoeding en de verzorging van kinderen buiten beschouwing moeten blijven bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. In de Wet WIA wordt als ‘arbeidsongeschikt’ omschreven, degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is om dat te verdienen, wat gezonde soortgelijke personen met arbeid gewoonlijk verdienen. Uit deze strikte formulering volgt dat andere factoren dan ziekte of gebrek, niet onder het risico van een arbeidsongeschiktheidsverzekering vallen ook al doen die afbreuk aan de mogelijkheden om een inkomen te verdienen. Voor zover de mogelijkheid om te werken door gezinstaken (en de daarmee samenhangende belasting) is beperkt, moet die beperking dus worden toegeschreven aan de uitoefening van die gezinstaken. De beperking kan niet als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek worden beschouwd zoals de wet vereist. [9] De rechtbank stelt vast dat deze lijn met de tussenuitspraken van de CRvB over CVS/ME waar eiseres op wijst, niet is gewijzigd. De beroepsgrond slaagt niet.
Deskundige
26. Eiseres heeft de rechtbank tot slot verzocht om een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen als deskundige voor onderzoek naar de beperkingen van eiseres. De rechtbank ziet daar echter geen aanleiding voor, omdat zij niet twijfelt aan de beoordeling van het Uwv. Zoals hiervoor is overwogen vindt de rechtbank dat de beoordeling voldoet aan de drie voorwaarden en twijfelt zij ook niet aan de juistheid ervan. De rechtbank ziet ook niet dat eiseres belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar beroep. Ook daarin bestaat dus geen reden bestaat voor het benoemen van een deskundige. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Conclusie
27. Tegen de arbeidskundige beoordeling heeft eiseres geen beroepsgronden naar voren gebracht. Nu uit het arbeidskundig onderzoek blijkt dat eiseres voor minder dan 35%, namelijk 31,53% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, heeft het Uwv de WIA-uitkering van eiseres terecht beëindigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.
28. Vanwege het onder 16. genoemde motiveringsgebrek was eiseres wel genoodzaakt om haar beroep tegen het bestreden besluit te handhaven. Ook in dat geval veroordeelt de rechtbank het Uwv normaal gesproken in de proceskosten van eiseres, maar zoals gezegd is in geval van eiseres niet van proceskosten gebleken. Gelet op overweging 9. is het Uwv al gehouden om het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond:
 bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,-- aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Artikel 6:20, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Artikel 8:58, eerste lid, van de Awb.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351.
6.Zie de uitspraak van de CRvB van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.
7.Dat kan op grond van artikel 6:22 van de Awb.
9.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3054.