ECLI:NL:RBMNE:2025:6656

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/4068
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering en de beoordeling van arbeidsongeschiktheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 12 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de weigering van een WIA-uitkering door het Uwv beoordeeld. Eiseres, vennoot van een bedrijf, heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Uwv dat belanghebbende per 5 februari 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank concludeert dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de medische beoordeling. De rechtbank oordeelt dat de geduide functies de belastbaarheid van belanghebbende niet overschrijden en dat het beroep ongegrond is. De rechtbank wijst het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen af, omdat zij van mening is dat het medisch onderzoek adequaat is geweest. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding of griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , vennoot van [bedrijf] gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,

in haar hoedanigheid als bewindvoerder van
[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. M. El Badmoussi),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat belanghebbende per 5 februari 2024 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist dat belanghebbende geen recht heeft op een WIA-uitkering. Dat betekent dat het beroep ongegrond is.

Procesverloop

2. Belanghebbende is op 8 februari 2021 ziek uitgevallen voor haar werk als [functie] voor gemiddeld 14,94 uur per week, vanwege gevoelsklachten in romp en benen. Na het einde van de wachttijd van 104 weken, verlengd met een aan de ex-werkgever van belanghebbende opgelegde loonsanctie, heeft het Uwv de WIA-aanvraag van belanghebbende beoordeeld.
3. Met het besluit van 20 maart 2024 heeft het Uwv de aanvraag van belanghebbende afgewezen. Belanghebbende is ongeschikt bevonden voor haar eigen werk, maar kan met passende functies 100% van haar oude loon verdienen, zodat zij volledig arbeidsgeschikt is. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het besluit van 5 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar, onder wijziging van functies die aan de berekening van het percentage van arbeidsongeschiktheid ten grondslag zijn gelegd, ongegrond verklaard.
4. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, belanghebbende vergezeld door haar broer [A] en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordelingskader

6. Belanghebbende heeft recht op een WIA-uitkering als zij ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat belanghebbende als [functie] verdiende te vergelijken met het loon dat zij kan verdienen in passende functies.
7. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over belanghebbende zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop belanghebbende zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
8. Van belang is verder dat het in deze zaak gaat om een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van belanghebbende per het einde van de wachttijd, in dit geval 5 februari 2024. Het gaat dus om de medische situatie van belanghebbende op die datum, de zogenoemde datum in geding.

Beoordeling door de rechtbank

De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
9. Eiseres voert aan dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is geweest, omdat belanghebbende niet lichamelijk is onderzocht, ondanks dat zij langdurig en blijvend last heeft van gevoelsstoornissen en krachtverlies in haar benen als gevolg van neuropathie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 10 maart 2025 ten onrechte gesteld dat psychische klachten van belanghebbende op de voorgaand zouden staan, om welke reden is afgezien van lichamelijk onderzoek. De psychische klachten moeten volgens eiseres echter in de context van de fysieke beperkingen worden bezien. Verder voert eiseres aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische informatie van behandelaars niet, of niet op de juiste wijze, bij zijn beoordeling heeft betrokken.
10. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de enkele omstandigheid dat in bezwaar geen lichamelijk onderzoek is verricht nog niet betekent dat sprake is van onzorgvuldig medisch onderzoek. [1] Dat is slechts anders in de situatie dat in het bezwaarschrift uitdrukkelijk is verzocht om lichamelijk onderzoek en in de verzekeringsgeneeskundige rapportage niet is gemotiveerd waarom geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. [2] Eiseres heeft in haar bezwaarschrift niet verzocht om lichamelijk onderzoek. In de rapportage van 10 maart 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat is afgezien van lichamelijk onderzoek, omdat psychische klachten op de voorgrond stonden. De rechtbank kan dat volgen, gelet op de bewoordingen van het bezwaarschrift. In aanvulling op de rapportage van 10 maart 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van
28 augustus 2025 gemotiveerd dat in bezwaar ook geen noodzaak tot lichamelijk onderzoek bestond, gelet op de medisch specialistische gegevens van de neuroloog in het verzekeringsgeneeskundig dossier. De rechtbank kan ook dat volgen, omdat uit de primaire verzekeringsgeneeskundige rapportage volgt dat brieven van de neuroloog en internist-nefroloog deel uitmaken van het dossier, dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geraadpleegd. De rechtbank is niet gebleken dat informatie van behandelaars niet of niet op de juiste wijze zou zijn betrokken bij de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is bovendien uitgegaan van de door de neuroloog gestelde diagnose sensomotorische polyneuropathie en heeft daarvoor beperkingen aangenomen. Ook zijn beperkingen aangenomen als gevolg van spanningsklachten. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 februari 2024 zijn deze aandoeningen vertaald naar beperkingen, zowel op fysiek als psychisch vlak. De beroepsgrond slaagt niet.
Juistheid medisch onderzoek
11. Eiseres voert aan dat de vastgestelde medische beperkingen onvolledig zijn. Belanhebbende heeft fysieke en cognitieve klachten die niet correct zijn opgenomen in de FML. Onder meer klachten van neurologische aard en verminderde mentale belastbaarheid zijn onvoldoende meegewogen.
12. De rechtbank stelt vast dat in FML, vanwege de lichamelijke en psychische klachten van belanghebbende, onder andere beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van dynamische handelingen, zoals duwen en trekken, tillen en dragen tijdens het werk en lopen en staan (tijdens het werk). Ook is een beperking voor werktijden aangenomen, omdat belanghebbende niet ’s nachts kan werken. Verder zijn beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Zo is belanghebbende beperkt in het omgaan met conflicten en beperkt in arbeid met een dwingend handelingstempo. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het Uwv in principe mag uitgaan van de medische beoordeling van zijn verzekeringsarts. Dat is slechts anders wanneer eiseres met medische stukken twijfel heeft gezaaid over het medisch oordeel van de verzekeringsarts. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar beroepsgrond dat de medische beoordeling onjuist is geen medische stukken overgelegd. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiseres ook niet kunnen aangegeven uit welk bestaand medisch stuk in het dossier blijkt dat belanghebbende meer en/of verdergaand beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de FML onjuist is. Daarbij overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 28 augustus 2025 heeft aangegeven dat forse beperkingen zijn aangenomen, met name ten aanzien van staan en lopen, ondanks dat medisch geen objectiveerbare verklaring van de gevoelsstoornissen is gevonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Benoeming deskundige
13. Eiseres heeft op de zitting verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen als gevolg van het ontbreken van medisch onderzoek in bezwaar.
14. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is zij van oordeel het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet zij ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Hierdoor bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige afwijst.
Arbeidskundig onderzoek
15. Eiseres voert aan dat de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de FML, met de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies wordt overschreden. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres op de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 10 maart 2025, waarin staat dat belanghebbende is aangewezen op fysiek licht beensparend werk, geen blootstelling aan hete/koude voorwerpen, geen nachtarbeid, geen chauffeurstaken, geen dwingend hoog werktempo, structuur, duidelijkheid en regelmaat en beperkte stressbelasting. De geselecteerde functies zijn volgens eiseres niet in overeenstemming met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen beperkingen. Zo wordt bij de functie van archiefmedewerker (SBC 315132) de belastbaarheid ten aanzien van lopen, staan, tillen, en heffen van gewicht boven schouderhoogte overschreden. Bij de functie productiemedewerker confectie/kleermaken (SBC 272042) wordt belanghebbende via strijktafels, broekenpersen en hetelucht- lasapparaten blootgesteld aan hitte. Ook is de functie psychisch een te zware belasting, omdat voorspelbaarheid door een grote variatie aan taken ontbreekt. Voor de functie administratief ondersteunend medewerker (SBC 315100) geldt dat deze functie voortdurend schakelen vereist en een hoge tijdsdruk kent, terwijl belanghebbende is aangewezen op rust, structuur en regelmaat. Bovendien is belanghebbende voor haar eigen werk arbeidsongeschikt bevonden, zodat een vergelijkbare functie om diezelfde reden ook niet geschikt is.
16. Met eiseres is op de zitting vastgesteld dat het beroep tegen de arbeidskundige beoordeling zich uitsluitend richt tegen de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies van archiefmedewerker (SBC 315132), productiemedewerker confectie/kleermaken (SBC 272042) en administratief ondersteunend medewerker (SBC 315100), die aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag zijn gelegd.
17. De rechtbank is van oordeel dat deze functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van belanghebbende, zoals is vastgelegd in de FML. In de FML hebben structuur, duidelijk, regelmaat en stressbelasting een vertaling gekregen in geen nachtwerk en beperkingen voor conflicthantering en een dwingend handelingstempo. De geselecteerde functies overschrijden de belastbaarheid van belanghebbende op deze punten niet. Ook de belastbaarheid voor hitte wordt niet overschreden. Het Uwv heeft op de zitting afdoende toegelicht dat met de aangenomen beperking voor hitte langer dan 5 minuten werken in temperaturen van 35 graden wordt bedoeld. Dat is bij de functie productiemedewerker confectie/kleermaken (SBC 272042) niet het geval, omdat het hete gedeelte van een strijkijzer niet met de handen wordt aangeraakt. De belastbaarheid voor tillen, zoals vastgelegd in de FML wordt ook niet overschreden, omdat belanghebbende ongeveer 5 kilogram kan tillen en de ordners, documenten en dozen maximaal 5 kilogram wegen. Dat was bij haar eigen functie niet het geval, zodat zij daarvoor door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet geschikt is bevonden. Voor het heffen van gewicht boven de schouderhoogte is geen beperking in de FML aangenomen, in tegenstelling tot wat eiseres hierover aanvoert. Kortom, de rechtbank is niet gebleken dat de geselecteerde functies de belastbaarheid zoals vastgelegd in de FML, overschrijden. Dat betekent dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deze functies aan de berekening van de arbeidsongeschiktheid van belanghebbende ten grondslag heeft mogen leggen. Belanghebbende is 0% arbeidsongeschikt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

18. Omdat belanghebbende minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft zij geen recht op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond. Voor het vergoeden van het griffierecht en een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Ermers, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2166, rechtsoverweging 4.3.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1634, rechtsoverweging 4.3.3.