Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die door eiser naar voren zijn gebracht.
5. Eiser heeft voor het studiejaar 2024/2025 studiefinanciering aangevraagd voor zijn deeltijdopleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit. De minister heeft met beslissing van 2 juli 2024 studiefinanciering toegekend voor de maanden september 2024 tot en met december 2024. Na controle van 14 oktober 2024 is de studiefinanciering alsnog afgewezen. Eiser bleek namelijk niet ingeschreven te staan voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. Bij bestreden besluit is de minister op zijn afwijzing van studiefinanciering over de maanden september 2024 tot en met december 2024 teruggekomen onder de overweging dat de eerdere toekenning van 2 juli 2024 als een toezegging dient te worden aangemerkt waaraan eiser het vertrouwen kon ontlenen dat hij recht had op studiefinanciering. Voor het overige heeft de minister de afwijzing in stand gelaten.
6. Eiser voert aan dat het vertrouwen dat is opgewekt met het besluit van 2 juli 2024 ook geldt voor de periode ná december 2024. Het gaat om een toekenning van studiefinanciering waaraan een inschrijving bij de universiteit voor studiejaar 2024/2025 ten grondslag ligt en daarom moet deze toekenning aangemerkt worden als een toezegging die betrekking heeft op het hele studiejaar. Dit gaat in ieder geval op voor de maand januari 2025, omdat het voor eiser pas per 1 februari 2025 mogelijk was om een nieuwe inschrijving te doen bij een universiteit waarvoor hij wel studiefinanciering had kunnen verkrijgen.
7. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. In het besluit van 2 juli 2024 wordt aan eiser over de maanden september tot en met december 2024 studiefinanciering toegekend voor de opleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit. Dit besluit bevat geen toezeggingen over recht op studiefinanciering over de periode ná december 2024. Dat aan het besluit van 2 juli 2024 een registratie voor een opleiding over een heel studiejaar ten grondslag ligt, maakt dit niet anders. Ten aanzien hiervan heeft de minister geen toezeggingen gedaan. Het gaat om een onjuist besluit waaraan eiser geen verdere rechten kan ontlenen. Ook kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn standpunt dat hij nog wel studiefinanciering toegekend had moeten krijgen over de maand januari 2025 omdat hij zich dan nog had kunnen inschrijven voor een andere opleiding. Eiser is in oktober 2024 al op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat hij geen recht had op studiefinanciering voor de door hem gevolgde opleiding zodat hij zich eerder had kunnen inschrijven voor een andere opleiding. Verder is ook niet gebleken dat hij hiertoe pogingen heeft ondernomen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Onderwijs, recht op studiefinanciering en gelijke behandeling
9. Eiser voert verder aan dat sprake is van strijd met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 (lees: 2) van het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat voor deeltijd- anders dan voor voltijdopleidingen geen recht bestaat op studiefinanciering. Dit onderscheid raakt aan het recht op toegang tot onderwijs waarop een ieder een gelijk recht heeft. Deeltijdstudenten worden ongelijk behandeld met voltijdse studenten waarvoor een redelijke en objectiveerbare rechtvaardiging ontbreekt. In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen voltijd- en deeltijdopleidingen. Alleen de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) maakt een onderscheid door in artikel 1.1. opleidingen met een deeltijds karakter voor studiefinanciering uit te sluiten. Dit onderscheid is niet gerechtvaardigd. In de praktijk zijn de voltijdse en deeltijdse studie Rechtsgeleerdheid dezelfde opleidingen qua omvang, aard en inhoud. Beide opleidingen zijn een kwalificatie voor de arbeidsmarkt, waarbij volgens eiser voor beide opleidingen geldt dat de prestatiebeurs omgezet kan worden in een gift. Het uitgangspunt van de wet is dat voltijds studenten anders dan deeltijdstudenten hun tijd kwijt zijn aan studeren en daarvoor gecompenseerd moeten worden. Een deeltijdse opleiding kan ook voltijds gevolgd worden, waardoor dit uitgangspunt niet klopt. Eiser verwijst in dit verband nog naar de uitspraak van deze rechtbank van 3 december 2024.
10. Onder verwijzing naar jurisprudentiestelt de minister zich in het verweerschrift op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De minister ziet geen reden om deel van de wet buiten toepassing te laten wegens strijd met hogere regelgeving, omdat deze strijd er niet is.
De beoordeling van de gestelde ongelijke behandeling
11. In artikel 1.1 van de Wsf staat dat een voltijdse opleiding een opleiding in de zin van de WHW is, met uitzondering van deeltijds onderwijs. Op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf kan een ho-student in aanmerking komen voor studiefinanciering als hij is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool.
12. Studiefinanciering valt binnen het toepassingsbereik van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waardoor getoetst kan worden aan het accessoire discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 van het EVRM. Dit artikel verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die als discriminatie moet worden beschouwd. Aan verdragspartijen bij het EVRM komt op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen.
13. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een verboden onderscheid als bedoeld in artikel 14 van het EVRM dan wel van een situatie waarbij gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Het standpunt van eiser dat een voltijd en deeltijd studie gelijk aan elkaar zijn, volgt de rechtbank niet. Het kenmerkende verschil tussen de opleidingen is de studiebelasting en de mogelijkheden die daardoor ontstaan om te voorzien in eigen inkomen. Dat er overigens overeenkomsten zijn te benoemen, betekent niet dat de minister niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen sprake is van gelijke gevallen.
14. Voor zover wel uitgegaan zou worden van gelijke gevallen heeft de wet- en regelgever door deze gevallen verschillend te behandelen niet de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid overschreden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
15. In de Memorie van Toelichtingis opgenomen dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat uitsluitend voor voltijd opleidingen recht op studiefinanciering bestaat. Het gaat de wetgever erom dat de studerende, wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd voor het grootste deel in beslag wordt genomen door studie, de mogelijkheid moet worden geboden via studiefinanciering een inkomen te verwerven ter bestrijding van de kosten van levensonderhoud. Dit is het geval bij opleidingen die volle dagen in beslag nemen. Voor degenen die ervoor kiezen om naar eigen inzicht en indeling een studie te volgen, is er geen studiefinanciering beschikbaar. De rechtbank kan de keuze van de wetgever om verschil te maken tussen deeltijdse en voltijdse opleidingen volgen en ziet in de uitleg daarvan een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor dit verschil.
16. Het vorenstaande geldt ook voor eiser die er voor heeft gekozen om een deeltijdstudie voltijds te volgen. Verder kan ook worden vastgesteld dat het recht op onderwijs van eiser niet is aangetast. De weigering studiefinanciering toe te kennen voor de deeltijdse opleiding, heeft eiser immers niet belet om hoger onderwijs te volgen.
17. Eiser krijgt op inhoudelijke gronden geen gelijk. De rechtbank stelt wel vast dat de minister in het bestreden besluit geen overwegingen heeft gewijd aan de vraag of sprake is van strijd met artikel 14 van het EVRM en het daarin neergelegde discriminatieverbod, terwijl daar in bezwaar wel een beroep op was gedaan. Het bestreden besluit berust gelet hierop op een onvoldoende motivering en komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank laat onder verwijzing naar de overwegingen in deze uitspraak de rechtsgevolgen in stand.