ECLI:NL:RBMNE:2025:6653

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/2852
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing studiefinanciering voor deeltijdopleiding en toetsing aan het discriminatieverbod van het EVRM

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 10 december 2025, is het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor studiefinanciering voor een deeltijdopleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit behandeld. Eiser had aanvankelijk studiefinanciering toegekend gekregen voor de maanden september tot en met december 2024, maar deze werd later door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ingetrokken. Eiser stelde dat hij recht had op studiefinanciering voor het gehele studiejaar, en dat de afwijzing in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. De rechtbank oordeelde dat de minister de afwijzing terecht had gehandhaafd, omdat de wet studiefinanciering een onderscheid maakt tussen voltijd- en deeltijdopleidingen. De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van een verboden onderscheid en dat de wetgever de vrijheid had om deze verschillen te maken. Eiser kreeg geen gelijk op inhoudelijke gronden, maar de rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege een gebrek aan motivering met betrekking tot het discriminatieverbod. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit werden in stand gelaten, en eiser kreeg zijn griffierecht vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor studiefinanciering voor zijn deeltijdopleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit voor het studiejaar 2024/2025. De minister heeft bij besluit van 2 juli 2024 over de maanden september tot en met december 2024 aan eiser studiefinanciering toegekend. Met het besluit van 25 oktober 2024 heeft de minister de aanvraag alsnog voor het gehele studiejaar afgewezen. Met het besluit van 25 maart 2025 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister wat betreft de maanden september tot en met december 2024 daarop teruggekomen en is overigens bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die door eiser naar voren zijn gebracht.
Bestreden besluit
5. Eiser heeft voor het studiejaar 2024/2025 studiefinanciering aangevraagd voor zijn deeltijdopleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit. De minister heeft met beslissing van 2 juli 2024 studiefinanciering toegekend voor de maanden september 2024 tot en met december 2024. Na controle van 14 oktober 2024 is de studiefinanciering alsnog afgewezen. Eiser bleek namelijk niet ingeschreven te staan voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. Bij bestreden besluit is de minister op zijn afwijzing van studiefinanciering over de maanden september 2024 tot en met december 2024 teruggekomen onder de overweging dat de eerdere toekenning van 2 juli 2024 als een toezegging dient te worden aangemerkt waaraan eiser het vertrouwen kon ontlenen dat hij recht had op studiefinanciering. Voor het overige heeft de minister de afwijzing in stand gelaten.
Vertrouwensbeginsel
6. Eiser voert aan dat het vertrouwen dat is opgewekt met het besluit van 2 juli 2024 ook geldt voor de periode ná december 2024. Het gaat om een toekenning van studiefinanciering waaraan een inschrijving bij de universiteit voor studiejaar 2024/2025 ten grondslag ligt en daarom moet deze toekenning aangemerkt worden als een toezegging die betrekking heeft op het hele studiejaar. Dit gaat in ieder geval op voor de maand januari 2025, omdat het voor eiser pas per 1 februari 2025 mogelijk was om een nieuwe inschrijving te doen bij een universiteit waarvoor hij wel studiefinanciering had kunnen verkrijgen.
7. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [1]
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. In het besluit van 2 juli 2024 wordt aan eiser over de maanden september tot en met december 2024 studiefinanciering toegekend voor de opleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit. Dit besluit bevat geen toezeggingen over recht op studiefinanciering over de periode ná december 2024. Dat aan het besluit van 2 juli 2024 een registratie voor een opleiding over een heel studiejaar ten grondslag ligt, maakt dit niet anders. Ten aanzien hiervan heeft de minister geen toezeggingen gedaan. Het gaat om een onjuist besluit waaraan eiser geen verdere rechten kan ontlenen. Ook kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn standpunt dat hij nog wel studiefinanciering toegekend had moeten krijgen over de maand januari 2025 omdat hij zich dan nog had kunnen inschrijven voor een andere opleiding. Eiser is in oktober 2024 al op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat hij geen recht had op studiefinanciering voor de door hem gevolgde opleiding zodat hij zich eerder had kunnen inschrijven voor een andere opleiding. Verder is ook niet gebleken dat hij hiertoe pogingen heeft ondernomen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Onderwijs, recht op studiefinanciering en gelijke behandeling
9. Eiser voert verder aan dat sprake is van strijd met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 (lees: 2) van het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat voor deeltijd- anders dan voor voltijdopleidingen geen recht bestaat op studiefinanciering. Dit onderscheid raakt aan het recht op toegang tot onderwijs waarop een ieder een gelijk recht heeft. Deeltijdstudenten worden ongelijk behandeld met voltijdse studenten waarvoor een redelijke en objectiveerbare rechtvaardiging ontbreekt. In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen voltijd- en deeltijdopleidingen. Alleen de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) maakt een onderscheid door in artikel 1.1. opleidingen met een deeltijds karakter voor studiefinanciering uit te sluiten. Dit onderscheid is niet gerechtvaardigd. In de praktijk zijn de voltijdse en deeltijdse studie Rechtsgeleerdheid dezelfde opleidingen qua omvang, aard en inhoud. Beide opleidingen zijn een kwalificatie voor de arbeidsmarkt, waarbij volgens eiser voor beide opleidingen geldt dat de prestatiebeurs omgezet kan worden in een gift. Het uitgangspunt van de wet is dat voltijds studenten anders dan deeltijdstudenten hun tijd kwijt zijn aan studeren en daarvoor gecompenseerd moeten worden. Een deeltijdse opleiding kan ook voltijds gevolgd worden, waardoor dit uitgangspunt niet klopt. Eiser verwijst in dit verband nog naar de uitspraak van deze rechtbank van 3 december 2024 [2] .
10. Onder verwijzing naar jurisprudentie [3] stelt de minister zich in het verweerschrift op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De minister ziet geen reden om deel van de wet buiten toepassing te laten wegens strijd met hogere regelgeving, omdat deze strijd er niet is.
De beoordeling van de gestelde ongelijke behandeling
11. In artikel 1.1 van de Wsf staat dat een voltijdse opleiding een opleiding in de zin van de WHW is, met uitzondering van deeltijds onderwijs. Op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf kan een ho-student in aanmerking komen voor studiefinanciering als hij is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool.
12. Studiefinanciering valt binnen het toepassingsbereik van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waardoor getoetst kan worden aan het accessoire discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 van het EVRM. Dit artikel verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die als discriminatie moet worden beschouwd. Aan verdragspartijen bij het EVRM komt op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen.
13. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een verboden onderscheid als bedoeld in artikel 14 van het EVRM dan wel van een situatie waarbij gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Het standpunt van eiser dat een voltijd en deeltijd studie gelijk aan elkaar zijn, volgt de rechtbank niet. Het kenmerkende verschil tussen de opleidingen is de studiebelasting en de mogelijkheden die daardoor ontstaan om te voorzien in eigen inkomen. Dat er overigens overeenkomsten zijn te benoemen, betekent niet dat de minister niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen sprake is van gelijke gevallen.
14. Voor zover wel uitgegaan zou worden van gelijke gevallen heeft de wet- en regelgever door deze gevallen verschillend te behandelen niet de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid overschreden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
15. In de Memorie van Toelichting [4] is opgenomen dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat uitsluitend voor voltijd opleidingen recht op studiefinanciering bestaat. Het gaat de wetgever erom dat de studerende, wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd voor het grootste deel in beslag wordt genomen door studie, de mogelijkheid moet worden geboden via studiefinanciering een inkomen te verwerven ter bestrijding van de kosten van levensonderhoud. Dit is het geval bij opleidingen die volle dagen in beslag nemen. Voor degenen die ervoor kiezen om naar eigen inzicht en indeling een studie te volgen, is er geen studiefinanciering beschikbaar. De rechtbank kan de keuze van de wetgever om verschil te maken tussen deeltijdse en voltijdse opleidingen volgen en ziet in de uitleg daarvan een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor dit verschil.
16. Het vorenstaande geldt ook voor eiser die er voor heeft gekozen om een deeltijdstudie voltijds te volgen. Verder kan ook worden vastgesteld dat het recht op onderwijs van eiser niet is aangetast. De weigering studiefinanciering toe te kennen voor de deeltijdse opleiding, heeft eiser immers niet belet om hoger onderwijs te volgen.
17. Eiser krijgt op inhoudelijke gronden geen gelijk. De rechtbank stelt wel vast dat de minister in het bestreden besluit geen overwegingen heeft gewijd aan de vraag of sprake is van strijd met artikel 14 van het EVRM en het daarin neergelegde discriminatieverbod, terwijl daar in bezwaar wel een beroep op was gedaan. Het bestreden besluit berust gelet hierop op een onvoldoende motivering en komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank laat onder verwijzing naar de overwegingen in deze uitspraak de rechtsgevolgen in stand.

Conclusie en gevolgen

18. De rechtbank verklaart het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit worden in stand gelaten. De minister heeft studiefinanciering mogen afwijzen omdat eiser een deeltijdopleiding volgt. Eiser krijgt zijn griffierecht vergoed. Er is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van 53,-- aan eiser vergoedt
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht .
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, r.o. 4.5.1.
4.Kamerstukken II 1984/85, 19 125, nr. 3, p. 8.