ECLI:NL:RBMNE:2025:6639

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/6035
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:3 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicaptenArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Midden-Nederland stelt beslistermijn vast na te late beslissing op WAJONG-bezwaarschrift

Eiser diende een bezwaarschrift in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omtrent WAJONG op 28 oktober 2024. Verweerder heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zeventien weken beslist, waarna eiser een ingebrekestelling stuurde op 8 mei 2025. Na het verstrijken van de ingebrekestellingstermijn stelde eiser beroep in bij de rechtbank op 18 oktober 2025.

De rechtbank oordeelt dat verweerder inderdaad te laat is met het nemen van een besluit en bepaalt dat verweerder alsnog binnen een nieuwe termijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak moet beslissen. Deze termijn is gebaseerd op de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de rechtbank Midden-Nederland.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat verweerder de nieuwe beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt ook veroordeeld tot betaling van het griffierecht van €53 en een proceskostenvergoeding van €453,50 aan eiser, vanwege het inschakelen van juridische hulp bij het beroepschrift.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen twee maanden een besluit te nemen. Hiermee wordt de rechtsbescherming van eiser gewaarborgd en wordt verweerder aangespoord om de beslissing alsnog binnen redelijke termijn te nemen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, stelt een beslistermijn van vier maanden vast en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6035

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaarschrift van 28 oktober 2024.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Op grond van artikel 6:3, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten moet verweerder binnen zeventien weken beslissen op het bezwaarschrift, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken.
4. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaarschrift van 28 oktober 2024. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 8 mei 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 18 oktober 2025 beroep ingesteld.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
6. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 [1] . De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
9. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). [3] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

3.Conform de uitspraak van de Afdeling van bijvoorbeeld 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.