Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- [verdachte] , bijgestaan door mr. M.A.E. Dekens;
- de benadeelde partij, mevrouw [slachtoffer] , bijgestaan door Slachtofferhulp;
- mevrouw [A] van de William Schrikker Stichting;
- mevrouw [B] van de Raad voor de Kinderbescherming;
- meneer [C] , gezinscoach;
- de ouders van [verdachte] .
2.Tenlastelegging
3.Bewijs
- de bekennende verklaring van [verdachte] ter zitting d.d. 18 november 2025;
- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 15 januari 2025;
5.Straf en maatregel
.Daardoor is veel schade ontstaan. In dit geval is het nog relatief goed afgelopen (in die zin dat er geen dodelijke of zwaar gewonde slachtoffers zijn gevallen), maar dat is op geen enkele manier aan het handelen van [verdachte] te danken. De rechtbank vindt weliswaar dat het [verdachte] siert dat hij openheid van zaken heeft gegeven en zijn excuses heeft aangeboden, maar dat neemt niet weg dat het heel kwalijk is wat er is gebeurd.
6.Vordering benadeelde partij
7.Toegepaste wetsartikelen
11.De beslissing
- verklaart bewezen dat de [verdachte] het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.5 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde feit.
- veroordeelt [verdachte] tot een
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht.
Maatregel plaatsing inrichting voor jeugdigen
- legt aan [verdachte] op de
- bepaalt dat de maatregel
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat:
- [verdachte] zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de Identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het Reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de Reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
bijzondere voorwaardendat [verdachte] gedurende de proeftijd:
- meewerkt aan behandeling gericht de autismespectrumstoornis en beperkte intellectuele capaciteiten, en behandeling om de coping - en emotieregulatie-vaardigheden te trainen;
- meewerkt aan de plaatsing bij [kliniek] of soortgelijke instantie (een klinische setting met een pedagogische benadering, zo nodig bij verschillende instellingen) zolang dit door de Jeugdreclassering noodzakelijk wordt bevonden. [verdachte] houdt zich aan de huisregels van de groep waar hij verblijft [verdachte] werkt, indien er niet meteen plek is bij [kliniek] of een soortgelijke instelling, mee aan een overbruggingsplek,en zal zich laten opnemen in een instelling geïndiceerd door de voor plaatsing verantwoordelijke instelling. [verdachte] zal zich houden aan de regels, afspraken en aanwijzingen van deze instelling;
- meewerkt aan hulpverlening gericht op drugsgebruik als de Jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt en voor zolang de Jeugdreclassering dit nodig acht;
- zich inzet voor het verkrijgen en behouden van dagbesteding;
- zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;
- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden.
dadelijk uitvoerbaarzijn.
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van 3023,83 euro, bestaande uit materiële schade ter hoogte van €23,83 en immateriële schade ter hoogte van €3.000;
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel desgewenst kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3023,83 te betalen, bestaande uit materiële schade ter hoogte van €23,83 en immateriële schade ter hoogte van €3.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2025 tot de dag van volledige betaling en bepaalt dat bij niet betaling geen gijzeling zal worden toegepast;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
oorlopige hechtenis