8.4.Vervolgens is de budgetbekostiging neergelegd in de WWB en het Besluit WWB. Hierbij golden dezelfde uitgangspunten (Kamerstukken II 2002/2003, 28870, nr. 3, blz. 16). Ook onder de WWB werd een systeem beoogd waarbij de conjuncturele risico’s bij het Rijk liggen en de risico’s van het door de gemeenten gevoerde beleid bij gemeenten (idem, blz. 30). Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit WWB (Besluit van 10 oktober 2003 houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand, Staatsblad 2003, 387, blz. 8) was het de bedoeling dat gemeenten middelen zouden ontvangen voor de bekostiging van uitkeringen op grond van een set objectieve, niet of slechts in beperkte mate door gemeenten te beïnvloeden kenmerken. Uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Wet werken naar vermogen (Kamerstukken II 2011/2012, 33 161, nr. 3, blz. 44 e.v.) volgt dat bij de invoering van de PW de financieringssystematiek hetzelfde is gebleven. In artikel 69 van de PW is het uitgangspunt neergelegd dat de ten laste van ’s Rijks kas aan het college verstrekte uitkering om het college van middelen te voorzien met het oog op het toekennen van algemene bijstand voor het desbetreffende kalenderjaar toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten.”
20. De rechtbank leest het voorgaande zo dat het uitgangspunt is dat het door het Rijk beschikbaar gestelde bedrag met het oog op het toekennen van algemene bijstand, in het kalenderjaar toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten. Dit sluit ook aan bij de tekst van artikel 69, tweede lid, van de Pw. Het macrobudget moet dus voor alle gemeenten gezamenlijk kostendekkend zijn voor de geraamde kosten. Dit betekent niet dat, zoals het college stelt, sprake moet zijn van kostendekkende financiering voor alle afzonderlijke gemeenten. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de bewijslastverdeling onredelijk?
21. De rechtbank stelt voorop dat de CRvB in de uitspraken van 21 februari 2023 en 4 juli 2023heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om aan het verdeelmodel zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit Pw en de voor de jaren 2017 tot en met 2020 in Bijlage I, tabel 2, van de Regeling PW, IOAW en IOAZ neergelegde verdeelmaatstaven, als zodanig verbindende kracht te ontzeggen.
22. De bestuursrechter kan onder omstandigheden tot het oordeel komen dat de staatssecretaris, die met de toepassing van het verdeelmodel is belast, om andere redenen was gehouden om het algemeen verbindend voorschrift waarin het verdeelmodel is neergelegd, buiten toepassing te laten. De bewijslast dat van dergelijke omstandigheden sprake is, rust in beginsel op het bestuursorgaan dat hierop een beroep doet. Wanneer het bestuursorgaan aan zijn initiële bewijslast heeft voldaan, verschuift de bewijslast weer naar de staatssecretaris.
23. Het is in dit geval dan ook aan het college om aannemelijk te maken dat de verdeelmodellen voor de jaren 2017 en 2018 zodanige tekortkomingen bevatten dat zij voor de gemeente Utrecht tot onevenredig grote tekorten leiden, welke tekorten niet zijn te verklaren uit het gevoerde beleid. Het college dient inzichtelijk te maken dat en waarom hij door de verdeling van het macrobudget voor de gemeente Utrecht in de jaren 2017 en 2018 onevenredig is benadeeld ten opzichte van andere gemeenten. Indien het college hierin slaagt, dan is het vervolgens aan de staatssecretaris om aannemelijk te maken dat de tekorten op het budget niet door de werking van de verdeelmodellen zijn veroorzaakt.
24. Voor zover het college aanvoert dat deze bewijslastverdeling onredelijk is omdat het college niet de beschikking heeft over dezelfde informatie als de staatssecretaris, volgt de rechtbank dit standpunt niet. De CRvB is in haar uitspraken duidelijk over de bewijslastverdeling. Daarnaast heeft de staatssecretaris toegelicht dat er voldoende informatie voorhanden is om inzicht te krijgen in de werking en uitkomst van het verdeelmodel. De staatssecretaris maakt voldoende inzichtelijk hoe de werking van het verdeelmodel van een bepaald jaar is en maakt de gebruikte keuzes en aannames die ten grondslag liggen aan het verdeelmodel openbaar. Zo kan een college de juistheid van de gebruikte gegevens of gemaakte berekeningen inhoudelijk betwisten. Ook worden de uitkomsten van het verdeelmodel beschikbaar gesteld via een rekentool. Verder stuurt de staatssecretaris brieven aan de Tweede Kamer over budgetverdeling, wordt er uitleg gegeven over de financieringssystematiek op de website van de rijksoverheid, worden alle beschikkingen aan alle gemeenten openbaar gemaakt en kunnen gemeenten contact zoeken met het ministerie voor nadere uitleg over de totstandkoming van de budgetten. Met voornoemde informatie is er genoeg voor handen voor het college om aannemelijk te maken dat er sprake is van tekortkomingen in het verdeelmodel. De beroepsgrond van het college dat sprake is van een onredelijke bewijslastverdeling slaagt niet.
Is sprake van tekortkomingen die hebben geleid tot nadeel?
25. De belangrijkste vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of het college aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zodanige tekortkomingen in de verdeelmodellen van 2017 en 2018 dat die hebben geleid tot onevenredig nadeel van de gemeente Utrecht ten opzichte van andere gemeenten. Het college beroept zich in dit verband op het rapport dat Berenschot in 2024 heeft opgesteld, en het memo dat Berenschot heeft opgesteld in reactie op het verweerschrift van de staatssecretaris. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zodanige tekortkomingen in de verdeelmodellen in 2017 en 2018 dat het college onevenredig is benadeeld ten opzichte van andere gemeenten. Hieronder legt de rechtbank uit waarom.
26. SEO en Atlas Research hebben in 2022 in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een inventarisatie gemaakt van kenmerken die systematisch samenhangen met tekorten of overschotten van verschillende gemeenten. Naar deze kenmerken zou aanvullend onderzoek gedaan kunnen worden, met het oog op een mogelijke optimalisatie van het verdeelmodel. Deze inventarisatie heeft de titel ‘Meerjarige tekorten en overschotten op het bijstandsbudget’. De ondertitel van de notitie is: ‘Een verkenning van objectieve verklaringen.’.
27. Berenschot heeft in opdracht van de gemeente Utrecht in 2024 vervolgens onderzocht of er redenen zijn om aan te nemen dat de gemeente Utrecht onevenredig is benadeeld. Berenschot heeft vier van de door SEO en Atlas Research in 2022 onderzochte objectieve factoren als uitgangspunt genomen. Dat zijn de volgende vier kenmerken: 1. Het aandeel hoogopgeleiden, 2. Het regionaal klantpotentieel, 3. Het aandeel (voormalige) studenten met psychische problematiek en 4. Verhuisindex op basis van niet-westerse migratieachtergrond. Het onderzoek van Berenschot laat vervolgens zien dat gemeente Utrecht hoog scoort op deze vier kenmerken ten opzichte van 59 andere gemeenten. Volgens Berenschot is het zo dat hoe hoger de gemeente Utrecht scoort op een bepaald kenmerk, hoe hoger de kans is dat sprake is van een negatief saldo van het bijstandsbudget. De conclusie van Berenschot is dat de tekorten die in 2017 en 2018 zijn ontstaan voor het budget voor de uitvoering van de Pw ermee verband houden dat die kenmerken niet of niet goed in het model verwerkt zitten.
28. Het is niet in geschil dat de gemeente Utrecht zowel in 2017 als in 2018 te maken heeft gehad met tekorten. De rechtbank leidt uit het rapport van Berenschot af dat de gemeente Utrecht hoog scoort op de genoemde vier kenmerken. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onvoldoende om aannemelijk te maken dat er ook een daadwerkelijk verband is tussen de vier genoemde kenmerken, het verdeelmodel en de tekorten van de gemeente Utrecht. Ook andere factoren kunnen namelijk van invloed zijn op die tekorten. Zo heeft de staatssecretaris erop gewezen dat met het kenmerk ‘aandeel hoogopgeleiden’ in het verdeelmodel bijvoorbeeld al rekening wordt gehouden met de Human Capital Index op huishoudniveau. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het verdeelmodel niettemin onvoldoende rekening houdt met het aantal hoog opgeleiden in de gemeente Utrecht. De staatssecretaris heeft er ook op gewezen dat het onderzoek van Berenschot voor een aantal kenmerken de gevolgen daarvan modelleert op gemeenteniveau, in plaats van op huishoudniveau. Terwijl het wel gaat om kenmerken van een huishouden. Dat leidt tot een vertekend beeld. Op de zitting heeft het college erop gewezen dat het de opdracht van de gemeente was om te onderzoeken of sprake is van tekortkomingen in het model die leiden tot nadeel voor de gemeente Utrecht ten opzichte van andere gemeenten. De omstandigheid dat dit de opdracht is, is onvoldoende om het standpunt van de staatssecretaris dat de wijze van modellering een vertekend beeld geeft te weerspreken. Dit laat immers onverlet dat als gevolg van een modellering die niet aansluit bij het verdeelmodel, het resultaat een vertekend beeld laat zien. Dat van een vertekend beeld geen sprake zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt. Ook vindt de rechtbank van belang dat het rapport van Berenschot ten onrechte het uitgangspunt lijkt te hanteren dat uit het rapport van SEO en Atlas Research uit 2022 volgt dat de vier kenmerken hoe dan ook tot nadeel leiden. De insteek van het onderzoek van SEO en Atlas Research was alleen een verkennend onderzoek, waarbij een inventarisatie is gemaakt van kenmerken die systematisch samenhangen met tekorten of overschotten van gemeenten. Uit dat onderzoek kan hooguit ten aanzien van een aantal nader onderzochte gemeenten worden opgemaakt dat een kenmerk in meer of mindere mate mogelijk tot een nadeel of voordeel heeft geleid. Maar ook ten aanzien van de onderzochte gemeenten hebben niet alle geïnventariseerde kenmerken tot een nadeel geleid. In elk geval is de gemeente Utrecht niet specifiek onderzocht.
29. Verder worden in het rapport van Berenschot tekortkomingen genoemd zonder dat die specifiek worden gerelateerd aan de jaren 2017 of 2018. Als gevolg daarvan wordt bijvoorbeeld geen acht geslagen op het kenmerk ‘regionaal klantenpotentieel’ dat in 2017 als proxy is opgenomen in het model voor dat jaar. In 2018 is dat kenmerk vervangen door de drie stapelingsindicatoren: ‘niet-westerse migratieachtergrond en leeftijd 50+’, ‘niet-westerse migratieachtergrond en gezondheidsproblemen’ en ‘laag opleidingsniveau en gezondheidsproblemen’. Het college heeft ook daarom niet aannemelijk gemaakt dat door het kenmerk regionaal klantpotentieel nadeel is ontstaan in 2017 en 2018.
30. Ten aanzien van de prijscomponent overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat in het verdeelmodel 2019 bij het hanteren van de prijscomponent wel rekening is gehouden met objectieve gegevens, op zichzelf onvoldoende is voor het oordeel dat het verdeelmodel 2017 specifiek voor de gemeente Utrecht zodanige tekortkomingen kent dat het verdeelmodel 2017 buiten toepassing had moeten worden gelaten. Het college heeft dit standpunt ook niet nader onderbouwd.
31. De rechtbank komt tot de conclusie dat met het rapport van Berenschot niet aannemelijk is gemaakt dat de verdeelmodellen van 2017 en 2018 tekortkomingen hebben die voor de gemeente Utrecht hebben geleid tot onevenredig nadeel ten opzichte van andere gemeenten. Aan de bespreking van de gronden over onevenredigheid van het nadeel en de hoogte van het tekort komt de rechtbank daarom niet toe.