In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de woning aan de [adres 1] in [plaats]. De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 30 november 2023 de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 1.429.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking, maar het bezwaar is ongegrond verklaard in de uitspraak op bezwaar van 14 oktober 2024. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld en aanvullende stukken overgelegd. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en een taxateur aanwezig waren.
In geschil is de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022. Eiser bepleit een lagere waarde van € 1.299.000,-, terwijl de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde handhaaft. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt door gebruik te maken van de vergelijkingsmethode en een taxatiematrix heeft overgelegd met vergelijkbare woningen. De rechtbank laat stellingen van eiser buiten beschouwing die niet goed onderbouwd zijn en concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
Eiser heeft ook verzocht om immateriële schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure. De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.