ECLI:NL:RBMNE:2025:6049
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- M. Coenen
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij terugvordering WIA-uitkering
Eiser ontving een terugvordering van te veel ontvangen WIA-uitkering van het UWV. Na bezwaar handhaafde het UWV het besluit, waarna eiser beroep instelde. Het UWV kwam in beroep tegemoet en verlaagde het terugvorderingsbedrag aanzienlijk, waarop eiser aangaf zich met de nieuwe berekening te kunnen vinden, maar de werkwijze van het UWV wilde aanvechten.
De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat het oorspronkelijke besluit was vervallen door de gewijzigde beslissing van het UWV. Hierdoor was het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk. De rechtbank onderzocht vervolgens of eiser nog procesbelang had bij het beroep tegen de nieuwe beslissing.
De rechtbank oordeelde dat het belang van eiser louter principieel was, gericht op een algemene verbetering van de werkwijze van het UWV en niet op een concreet persoonlijk belang. Volgens vaste rechtspraak is een principieel belang onvoldoende voor procesbelang. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Het UWV werd wel verplicht het griffierecht aan eiser te vergoeden, omdat het pas in beroep aan de bezwaren tegemoet was gekomen. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.