ECLI:NL:CRVB:2015:3628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering ondanks ziekte van Crohn en arbeidskundige onderbouwing
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek vanwege de ziekte van Crohn en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellant maakte bezwaar en werd onderzocht door een verzekeringsarts die contact had met behandelend MDL-artsen. De arts concludeerde dat appellant geschikt was voor licht werk, rekening houdend met bijkomende aandoeningen zoals een posttraumatische stressstoornis en depressie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat er geen aanwijzingen waren dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met de ziekte van Crohn. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de ziekte wel actief was en overhandigde een verklaring van een arts die een actieve ontsteking in 2010 bevestigde. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts de medische situatie rond de datum in geding adequaat had beoordeeld en dat er geen medische grond was voor volledige arbeidsongeschiktheid.
Daarnaast werd in hoger beroep een volledige arbeidskundige onderbouwing geleverd die aantoont dat appellant geschikt is voor bepaalde functies met lichte belasting. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het eerdere besluit. Vanwege de late onderbouwing veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het hoger beroep af.