ECLI:NL:RBMNE:2025:6029

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
24/6138
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWArt. 29 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering Ziektewet-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling afgewezen

De zaak betreft een beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV om een Ziektewet-uitkering toe te kennen aan haar ex-werknemer, die op staande voet was ontslagen en zich ziek had gemeld wegens psychische klachten.

Eiseres stelde dat de werknemer verwijtbaar had gehandeld door zich niet te verzetten tegen het ontslag en zijn re-integratieverplichtingen niet na te komen, waardoor het UWV het ziekengeld zou moeten weigeren. De rechtbank oordeelt dat er medisch verschoonbare redenen zijn voor het berusten in het ontslag en het niet naleven van de re-integratieverplichtingen, gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en voortschrijdend inzicht vanuit de gespecialiseerde GGZ.

De rechtbank constateert een zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit omdat het UWV pas in beroep de medische verschoonbaarheid van het niet naleven van re-integratieverplichtingen heeft beoordeeld. Dit gebrek is echter hersteld met het rapport van de verzekeringsarts in beroep. Daarnaast is er geen reden om te twijfelen aan de vaststelling van de eerste ziektedag.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege het zorgvuldigheidsgebrek, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] ., uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.W. Stam),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: P. Spoelstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [ex werknemer] uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. S. van Andel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van de ex-werknemer van eiseres. Eiseres is het niet eens met de beslissing dat de ZW-uitkering wordt uitbetaald. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist dat de ZW-uitkering van de ex-werknemer tot uitbetaling komt. Aan de ex-werknemer kan om medische redenen geen verwijt worden gemaakt dat hij heeft berust in zijn ontslag en dat hij zijn re-integratieverplichtingen niet heeft nageleefd. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De ex-werknemer, de heer [ex werknemer] , werkte als Inside Sales Hardware Specialist in dienst bij eiseres. Hij heeft zich op 19 augustus 2021 ziekgemeld vanwege psychische klachten. Hij is tijdens zijn ziekteverzuim op een aantal afspraken met de bedrijfsarts niet verschenen (no-shows) en was periodes niet bereikbaar voor eiseres. Op 23 augustus 2022 is zijn loon stopgezet. De ex-werknemer is op 5 september 2022 op staande voet ontslagen. Hij heeft zich hier niet tegen verzet.
2.1.
De ex-werknemer heeft op 16 juni 2023 een aanvraag voor een ZW-uitkering gedaan. Eiseres heeft vervolgens om een maatregel ZW-uitkering gevraagd. Het Uwv heeft in het besluit van 30 juni 2023 aan de ex-werknemer laten weten dat hij onnodig een beroep doet op de Ziektewet en dat de ZW-uitkering daarom niet wordt uitbetaald. De ex-werknemer heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 22 maart 2024 heeft het Uwv het bezwaar van de ex-werknemer gegrond verklaard. Aan deze beslissing ligt ten grondslag dat de ex-werknemer om medische redenen geen verwijt kan worden gemaakt dat hij zich niet tegen zijn ontslag heeft verzet. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het Uwv, en de gemachtigde van de ex-werknemer.
2.4.
Op de zitting van 9 september 2025 is ook het beroep van eiseres tegen de toekenning van een uitkering aan de ex-werknemer op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) behandeld (zaaknummer UTR 24/4933).

Beoordeling door de rechtbank

3. Niet in geschil is dat de ex-werknemer recht heeft op ZW-uitkering. Eiseres komt echter op tegen de uitbetaling van de ZW-uitkering. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft beslist dat de ZW-uitkering van de ex-werknemer ook tot uitbetaling komt, omdat aan de ex-werknemer niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Dat doet zij aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
3.1.
De ex-werknemer heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken die medische gegevens bevatten aan de ex-werkgever te verstrekken. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat die gegevens via deze uitspraak alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
Toetsingskader
4. Artikel 45 ZW Pro bevat verplichtingen die de verzekerde moet naleven om zijn recht op ziekengeld veilig te stellen. Artikel 45, eerste lid, ZW noemt achttien gevallen waarin het UWV het ziekengeld als uitgangspunt geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend moet weigeren. Van een verzekerde wordt onder meer verlangd dat hij actief meewerkt aan zijn herstel en zijn re-integratie. Ook mag een verzekerde de uitkeringsfondsen niet benadelen door afstand te doen van het recht op loon en vervolgens een ZW-uitkering te claimen. Artikel 45, zevende lid, van de ZW bepaalt dat onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, mede wordt verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid, ZW.
4.1.
Als sprake is van een benadelingshandeling, dan weigert het Uwv het ziekengeld blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de zieke werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. [1] De verwijtbaarheid wordt afgeleid uit de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Artikel 45, tweede lid, ZW bepaalt dat van het opleggen van een maatregel in elk geval wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Is sprake van verwijtbaarheid wat betreft het berusten in ontslag?
5. Eiseres voert aan dat de ex-werknemer verwijtbaar heeft nagelaten zich tegen zijn ontslag te verzetten. Volgens eiseres is niet aangetoond dat de stoornis van ex-werknemer op de ontslagdatum en gedurende de periode waarin hij zich in rechte tegen het verslag kon verzetten hem verhinderde om actie te ondernemen. Eiseres stelt dat het ontslag op staande voet een juridisch feit is geworden en dat daarom de ernstige verwijtbaarheid vaststaat.
5.1.
Het Uwv wijst erop dat de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de ex-werknemer een medisch verschoonbare reden heeft voor het niet hebben aangevochten van zijn ontslag. Daarom ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid en is terecht geen maatregel opgelegd.
5.2.
De rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat de ex-werknemer een benadelingshandeling heeft gepleegd door geen verweer te voeren tegen zijn ontslag. De discussie is beperkt tot de vraag of dit de ex-werknemer te verwijten valt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat eiseres ten onrechte stelt dat een rechtsgeldig ontslag het criterium is en dat daarmee de ernstige verwijtbaarheid zou vaststaan. Het gaat erom of de ex-werknemer in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt geen verweer te hebben gevoerd tegen zijn ontslag. De verzekeringsarts concludeert in het rapport van 19 maart 2024 dat bij de ex-werknemer sprake is van een medisch verschoonbare reden voor het niet hebben aangevochten van zijn ontslag. Weliswaar is het rapport summier, maar het medisch dossier van de ex-werknemer is kenbaar meegewogen. Eiseres heeft niets ingebracht dat reden geeft tot twijfel aan de juistheid van de vaststelling van de verzekeringsarts. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts van 19 maart 2024 deugdelijk gemotiveerd dat de ex-werknemer niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt van het berusten in zijn ontslag. Daarom is terecht geen maatregel opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van verwijtbaarheid wat betreft de re-integratie?
6. Eiseres voert ook aan dat de ex-werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet heeft nageleefd en dat daarom het ziekengeld geweigerd moet worden. Eiseres wijst erop dat de re-integratieverplichtingen tot stand zijn gekomen nadat de bedrijfsarts de ex-werknemer daartoe in staat heeft geacht.
6.1.
Het Uwv voert op basis van het rapport van de verzekeringsarts van 13 januari 2025 aan dat re-integratie niet haalbaar en reëel is geweest. Uit voortschrijdend inzicht vanuit de gespecialiseerde GGZ blijkt dat sprake is van een ernstig ziektebeeld, waarvan de bedrijfsarts niet op de hoogte was. Daarom is ook ten aanzien van het niet naleven van de re-integratieverplichtingen sprake van medische verschoonbaarheid van de ex-werknemer.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat dat in het bestreden besluit alleen is ingegaan op de verwijtbaarheid van de ex-werknemer wat betreft het berusten in het ontslag. Het Uwv heeft pas in beroep beoordeeld of ook het niet naleven van de re-integratieverplichtingen medisch verschoonbaar was. Nu dit pas in beroep is gebeurd, is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek ten aanzien van het bestreden besluit. Dit zorgvuldigheidsgebrek is met het rapport van de verzekeringsarts in beroep hersteld.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de ex-werknemer geen verwijt kan worden gemaakt dat hij zijn re-integratieverplichtingen niet heeft nageleefd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De verzekeringsarts concludeert in het rapport van 13 januari 2025 dat bij de ex-werknemer sprake is van een medisch verschoonbare reden voor het niet naleven van zijn re-integratieverplichtingen. Daarbij wijst de verzekeringsarts op voortschrijdend inzicht vanuit de gespecialiseerde GGZ. Eiseres voert aan dat de bedrijfsarts de ex-werknemer in staat heeft geacht tot re-integratie. De rechtbank overweegt dat dat weliswaar klopt, maar die inschatting van de bedrijfsarts is volgens de verzekeringsarts van het Uwv, gezien het voortschrijdend inzicht vanuit de gespecialiseerde GGZ, onjuist geweest. De bedrijfsarts was ten tijde van het re-integratietraject immers niet bekend met de ernst van de problematiek en kon dat ook niet zijn. Eiseres heeft geen concrete gronden aangevoerd die reden geven om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts van 13 januari 2025 deugdelijk gemotiveerd dat de ex-werknemer geen verwijt kan worden gemaakt van het niet naleven van de re-integratieverplichtingen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er twijfel gezaaid over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag?
7. Eiseres heeft in november 2024 het Uwv verzocht om een beoordeling arbeidsgeschiktheid bij aanvang dienstverband. Eiseres voert aan dat zij vanwege de diagnose van de ex-werknemer in 2017 en het grillig verloop van zijn ziektebeeld reden heeft om te twijfelen aan de eerste ziektedag. Zij stelt dat de weigering van het Uwv om een beoordeling arbeidsgeschiktheid bij begin dienstverband te doen in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de evenredigheid, rechtszekerheid en het fair play-beginsel.
7.1.
Het Uwv voert aan dat het Uwv uitgaat van de eerste ziektedag zoals die door eiseres is doorgegeven. Eiseres heeft niets ingebracht dat reden geeft tot nader onderzoek naar de eerste ziektedag.
7.2.
Gemachtigde van ex-werknemer voert aan dat het op de weg van eiseres ligt om nadere onderbouwing te geven als zij twijfelt aan de juistheid van de eerste ziektedag.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de vaststelling van de eerste ziektedag. Het Uwv mag bij de beoordeling van aanspraken op een ZW- of een WIA-uitkering in beginsel uitgaan van de door de werkgever opgegeven dag waarop de werknemer het werk niet heeft aangevangen of heeft gestaakt. [2] Als eiseres twijfelt aan de juistheid van de eerste ziektedag dan ligt het op de weg van eiseres om dit tijdig op te werpen, haar opvatting over de aanvang van de arbeidsongeschiktheid te onderbouwen en aannemelijk te maken dat de werknemer op de datum van indiensttreding al arbeidsongeschikt was. De rechtbank is van oordeel dat het enkele wijzen op een grillig ziekteverloop en een diagnose in 2017 daarvoor onvoldoende is. Het Uwv mocht uitgaan van de door eiseres opgegeven eerste ziektedag. Dat de weigering van het Uwv om een beoordeling uit te voeren in strijd zou zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur, is niet door eiseres onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond gezien het in overweging 6.2. vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2025 – in beroep – voldoende heeft onderbouwd waarom het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen medisch verschoonbaar is. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.
8.1.
Omdat het besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende medische onderbouwing bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
8.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 371,-- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,--;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 371,-- dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van N.B. Yalcinkaya, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:626
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1128, r.o. 4.1.