Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:3529

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
C/16/560325 / HA ZA 23-472
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
WAMCA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake verwerking HoNOS+-gegevens door Nederlandse Zorgautoriteit

De individuele eisers, bestaande uit cliënten en behandelaren in de geestelijke gezondheidszorg, hebben samen met drie belangenorganisaties de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gedagvaard wegens het opvragen en verwerken van HoNOS+-gegevens. In een eerdere collectieve procedure op grond van de WAMCA zijn de vorderingen van de belangenorganisaties afgewezen, waarbij is vastgesteld dat HoNOS+-gegevens geen persoonsgegevens zijn en dat het handelen van de NZa niet in strijd is met het recht.

De individuele eisers handhaven hun vorderingen en hervatten hun procedures nadat de collectieve zaak was afgerond. De NZa heeft geen nieuw verweer gevoerd maar heeft de processtukken uit de WAMCA-procedure als herhaald en ingelast beschouwd. De rechtbank volgt de eerdere beoordeling en oordeelt dat er geen nieuwe argumenten of omstandigheden zijn die tot een ander oordeel leiden.

De vorderingen van de individuele cliënten en behandelaren worden daarom afgewezen. De rechtbank wijst tevens de proceskosten toe op nihil, aangezien de NZa geen extra kosten heeft gemaakt en de advocaatkosten voor de beperkte akte niet worden toegewezen. Het vonnis is gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de individuele cliënten en behandelaren af omdat het opvragen en verwerken van HoNOS+-gegevens door de NZa niet onrechtmatig is.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/560325 / HA ZA 23-472
Vonnis van 23 juli 2025
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[eiseres sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
4.
[eiseres sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
5.
[eiser sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
6.
[eiseres sub 6],
wonende te [woonplaats] ,
7.
[eiser sub 7],
wonende te [woonplaats] ,
8.
[eiseres sub 8],
wonende te [woonplaats] ,
9. de stichting
STICHTING KOEPEL VAN DBC-VRIJE PRAKTIJKEN VAN PSY.,
gevestigd te Amsterdam,
10. de stichting
STICHTING LOC WAARDEVOLLE ZORG,
gevestigd te Utrecht,
11. de stichting
STICHTING PLATFORM BESCHERMING BURGERRECHTEN,
gevestigd te Amsterdam,
eisers,
advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
NEDERLANDSE ZORGAUTORITEIT,
zetelend te Utrecht,
gedaagde,
advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland en mr. F.J.H van Tienen te Den Haag.
Eisers 1 tot en met 4 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende cliënten’. Eisers 5 tot en met 8 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende behandelaren’. Eisers 9 tot en met 11 worden samen ‘de belangenorganisaties’ genoemd. Alle eisende partijen samen worden aangeduid als ‘eisers’. Gedaagde wordt ‘de NZa’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Alle eisers samen hebben op 19 juli 2023 de NZa gedagvaard. In het tussenvonnis van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:4106) is geoordeeld dat de eisers ontvankelijk zijn in hun vorderingen. In datzelfde vonnis is besloten om de behandeling van de vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren op te schorten totdat de collectieve procedure, die de belangenorganisaties op grond van de WAMCA hebben aangespannen, in eerste aanleg is afgerond. In de WAMCA-procedure tussen de belangenorganisaties en de NZa is op 23 april 2025 een eindvonnis gewezen waarin de vorderingen van de belangenorganisaties zijn afgewezen (ECLI:NL:RBMNE:2025:1760).
1.2.
De individuele eisende cliënten en behandelaren hebben in een akte van 21 mei 2025 laten weten dat zij hun vorderingen handhaven en de individuele procedures willen hervatten. Daarop heeft de rechtbank de NZa gevraagd of zij een nieuwe conclusie van antwoord wil indienen om verweer te voeren tegen de vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren. De NZa heeft de rechtbank in een akte van 2 juli 2025 laten weten dat zij geen nieuwe conclusie van antwoord wil indienen. De NZa heeft verzocht om alle processtukken die zijn ingediend in de procedure tussen de belangenorganisaties en de NZa in deze individuele procedures als herhaald en ingelast te beschouwen, met uitzondering van de (passages uit) de processtukken die alleen op de belangenorganisaties betrekking hebben. Dat geldt ook voor de stellingen die partijen hebben ingenomen tijdens de mondelinge behandelingen van 22 mei 2024 en 28 januari 2025. De individuele eisende cliënten en behandelaren hebben hiermee ingestemd in een akte van 2 juli 2025. Ook hebben partijen gezamenlijk laten weten dat zij geen behoefte hebben aan een tweede schriftelijke ronde of een nieuwe mondelinge behandeling. Daarom wordt er nu vonnis gewezen in de individuele procedures.

2.De kern van de zaak

2.1.
De feitelijke achtergrond van het geschil is weergegeven in hoofdstuk 4 van het vonnis van 17 juli 2024 en hoofdstuk 2 van het vonnis van 23 april 2025. In het eindvonnis in de WAMCA-procedure van 23 april 2025 zijn de vorderingen van de belangenorganisaties afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het opvragen van de HoNOS+-gegevens en het verwerken van die gegevens niet in strijd is met het recht en daarom ook niet onrechtmatig is tegenover cliënten in de GGZ en beroepsbeoefenaren. De rechtbank komt tot hetzelfde oordeel in deze individuele procedures.

3.De beoordeling van de vorderingen

3.1.
De individuele cliënten en behandelaren hebben (een deel van) dezelfde vorderingen ingesteld tegenover de NZa net zoals de belangenorganisaties dat in de WAMCA-procedure hebben gedaan. De vorderingen zijn opgesomd in rechtsoverweging 3.4 van het vonnis van 17 juli 2024. Met de eiswijziging van 22 mei 2024 is duidelijk geworden dat de individuele cliënten de vorderingen onder I tot en met IV hebben ingesteld. De individuele behandelaren hebben de vorderingen onder I tot en met VIII ingesteld. Zij hebben de vorderingen ieder voor henzelf ingesteld. De overige vorderingen zijn ingetrokken. De vordering onder I is een provisionele voorziening die in het vonnis in incident van 1 november 2023 al is afgewezen. Deze vordering wordt nu niet meer behandeld.
3.2.
Voor de resterende vorderingen geldt dat daarover al in het vonnis van 23 april 2025 is geoordeeld in de zaak tussen de NZa en de belangenorganisaties. De individuele cliënten en behandelaren hebben geen andere argumenten of grondslagen aangevoerd dan de belangenorganisaties hebben gedaan. De beoordeling van de vorderingen is daarom hetzelfde. Het algemene oordeel over de vraag of de HoNOS+-gegevens persoonsgegevens zijn en of het opvragen en verwerken daarvan door de NZa in strijd is met het recht en daardoor onrechtmatig is, geldt daarom ook voor de individuele cliënten en behandelaren. Er zijn door de individuele eisende cliënten en behandelaren geen individuele omstandigheden aangevoerd die de rechtbank tot een ander oordeel doet komen. Dat betekent dat de rechtbank de vorderingen van de individuele cliënten en behandelaren zal afwijzen. De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 3.2 tot en met 3.26 van het vonnis van 23 april 2025 voor een uitleg hierover.
Proceskosten
3.3.
De individuele eisende cliënten en behandelaren hebben in deze procedure ongelijk gekregen. Hun vorderingen worden afgewezen. Zij zouden daarom in principe de proceskosten van de NZa moeten vergoeden. De belangenorganisaties zijn echter al veroordeeld om de proceskosten van de NZa in de WAMCA-procedure te vergoeden. De NZa heeft in deze individuele procedure geen extra proceskosten gemaakt. Alle processtukken, die zij eerder in de WAMCA-procedure heeft ingediend, zijn namelijk als herhaald en ingelast beschouwd. De NZa heeft alleen advocaatkosten gemaakt voor de akte van 2 juli 2025. De rechtbank vindt een vergoeding voor het salaris van de advocaat voor deze akte niet aangewezen, gelet op de zeer beperkte omvang en inhoud daarvan. Bovendien heeft de NZa ook niet gevorderd om de individuele cliënten en patiënten hoofdelijk (of aanvullend) in de proceskosten (van die akte) te veroordelen.
3.4.
De proceskosten van de NZa worden daarom op nihil begroot.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp, mr. M. Eversteijn en mr. H.J. ter Meulen, bijgestaan door mr. N.L. Lintel-Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025. [1]

Voetnoten

1.type: 5427 (NLK)