ECLI:NL:RBMNE:2024:641
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onjuiste onderbouwing kapitalisatiefactor WOZ-waarde bedrijfsruimte
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een bedrijfsruimte aan een adres te plaats vast op €332.000,- per waardepeildatum 1 januari 2020. Eiseres maakte bezwaar tegen deze waarde, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de brutohuurwaarde door verweerder voldoende was onderbouwd met vergelijkbare bedrijfsruimtes. Echter, de kapitalisatiefactor was onjuist vastgesteld omdat deze was gebaseerd op vergelijking met een volledig winkelcentrum, terwijl het object een klein restaurantje betreft dat fysiek niet onderdeel is van een overdekt winkelcentrum maar aan de openbare weg ligt. De rechtbank vond dat de waarde moest worden bepaald uitgaande van de mogelijkheid tot afzonderlijke verkoop, wat niet was gebeurd.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de vertraging mede aan het procederen van de gemachtigde van eiseres te wijten was. De rechtbank stelde de WOZ-waarde vast op €320.000,-, verlaagde de aanslag onroerendezaakbelasting en rioolheffing dienovereenkomstig, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de WOZ-waarde wordt vastgesteld op €320.000,- met verlaging van de aanslag en vergoeding van proceskosten.