ECLI:NL:RBMNE:2024:4322
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen
Eiseres werd door het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor een langdurig zieke werkneemster. De werkneemster was sinds februari 2020 uitgevallen en had een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde vast dat de bedrijfsarts onzorgvuldig had gehandeld door onvoldoende informatie te verzamelen, waardoor de re-integratie niet adequaat kon worden begeleid.
Eiseres betoogde dat de bedrijfsarts een professionele marge toekomt en dat het UWV ten onrechte de tekortkomingen van de bedrijfsarts aan haar toerekende. De rechtbank bevestigde echter dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de re-integratie en dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde. De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bedrijfsarts voldoende terughoudend had getoetst en dat het ontbreken van noodzakelijke informatie een tekortkoming vormde.
De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen had geleverd. Eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 17 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen is ongegrond verklaard.