ECLI:NL:RBMNE:2024:2071
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en afwijzing schadevergoeding immateriële schade
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een Nederlandse woonplaats, vastgesteld op €530.000 per waardepeildatum 1 januari 2020. Hij stelt een lagere waarde van €499.000 voor en voert onder meer parkeeroverlast aan als waardeverlagende factor.
De rechtbank beoordeelt het beroep op basis van de standpunten tijdens de zitting en stelt vast dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De belangrijkste indicatie is het eigen aankoopcijfer van €525.000, dat met een indexering van 9,1% is gecorrigeerd naar €568.000, hoger dan de vastgestelde waarde. De door eiser aangevoerde afwijkingen in gebruiksoppervlakte en parkeeroverlast worden door de rechtbank niet aannemelijk geacht als waardedrukkend.
Daarnaast verzoekt eiser om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat de overschrijding mede aan het procedeerpatroon van de gemachtigde van eiser kan worden toegerekend en verlengt daarom de redelijke termijn met een jaar. Hierdoor is geen sprake van overschrijding en wordt het verzoek afgewezen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.