Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de burgemeester van de gemeente Utrecht (de burgemeester)
Inleiding
Utrecht in opstand, nee 2G & nee vuurwerkverbod! 26-11-21, 19.30, Kanaalstraat, Be there!!! Neem je matties & vuurwerk mee.”
op of aaneen openbare plaats op enigerlei wijze door gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. In de tweede plaats volgt uit de toelichting op het artikel ook niet dat het gedrag digitaal zou kunnen plaatsvinden. De bewoording ‘op enigerlei wijze’ in het artikel doet daar niet aan af, aangezien het gaat om gedrag op of aan een openbare plaats dat op enigerlei wijze kan worden geuit.
inhoudvan uitlatingen niet aan banden worden gelegd. Het is een lokale regelgever (in dit geval de gemeenteraad) namelijk niet toegestaan om grondrechten te beperken wanneer een dergelijke beperking niet kan worden teruggevoerd op een wet in formele zin. Of een wet in formele zin beperking van grondrechten kan inhouden en of die beperking vervolgens kan worden gedelegeerd aan een lagere wetgever hangt af van de formulering van het grondrecht in de Grondwet. In het geval van het grondrecht ‘vrijheid van meningsuiting’ kan inhoudelijke beperking daarvan enkel (onder bepaalde voorwaarden) door middel van een wet in formele zin en niet (mede) door delegatie aan een lagere regelgever. [5] De APV, waarop de burgemeester haar besluit heeft gebaseerd, kán dus geen inhoudelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting bevatten.
nietde inhoud van uitingen betreffen, wél middels een wet in formele zin kunnen worden uitgeoefend door de burgemeester (zie bijvoorbeeld artikel 5 van Pro de Wet openbare manifestaties). Evenmin neemt dat de mogelijkheid voor de formele wetgever weg om in een voorkomend geval een inhoudelijke beperking aan te brengen op de vrijheid van meningsuiting, zoals bijvoorbeeld is gedaan door de strafbaarstelling van opruiing in het Wetboek van Strafrecht. [6]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 14 juni 2022;
- voorziet zelf in de zaak, herroept het primaire besluit van 26 november 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.868,-.
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van eiser van € 184,- vergoedt.