Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2023:3015

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2023
Publicatiedatum
26 juni 2023
Zaaknummer
556814 / HA RK 23-93
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vrees vooringenomenheid na eerdere kortgedinguitspraak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die eerder in kort geding over dezelfde zaak had geoordeeld en de vordering van verzoeker had afgewezen. Verzoeker stelde dat de rechter zich had moeten verschonen of dit aan partijen kenbaar had moeten maken, en dat de rechter op zitting geen interesse toonde in een diepgaande behandeling, wat de schijn van vooringenomenheid wekte.

De rechter weigerde de wraking en stelde dat zijn eerdere betrokkenheid geen reden was voor verschoning en dat hij wel degelijk geïnteresseerd was in de argumenten van verzoeker. De wrakingskamer onderzocht of de onpartijdigheid van de rechter schade leed en oordeelde dat het enkele feit van eerdere betrokkenheid niet automatisch wraking rechtvaardigt, maar dat bijkomende omstandigheden dit kunnen veranderen.

In deze zaak waren die bijkomende omstandigheden aanwezig omdat de rechter in kort geding al inhoudelijk had beslist over meerdere rechtsvragen die ook in de bodemzaak aan de orde waren en die bepalend waren voor de uitkomst. De rechter had op zitting niet aangegeven dat een andere afweging mogelijk was, ondanks een concreet bewijsaanbod van verzoeker. Dit wekte de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Daarom wees de wrakingskamer het verzoek toe en bepaalde dat de zaak aan een andere rechter moet worden toegewezen, die zal bepalen hoe de procedure wordt voortgezet. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt toegewezen vanwege objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 556814 / HA RK 23-93
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van26 juni 2023
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
(verder te noemen verzoeker),
advocaat mr. A. Taheri-Bhajan, te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 15 mei 2023 met de daaraan gehechte zittingsaantekeningen;
- het wrakingsverzoek van 15 mei 2023;
- de schriftelijke reactie van mr. A.A.T. van Rens van 12 juni 2023;
- de aanvulling op het wrakingsverzoek van 19 juni 2023.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 20 juni 2023 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: [A] , directeur van verzoekster, de advocaat van verzoekster en mr. M. Taheri, juridisch adviseur van verzoekster en als toehoorder mr. M.H. Berrevoets, de advocaat van de gedaagde in de hoofdzaak.
Mr. A.A.T. van Rens was met kennisgeving afwezig.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. A.A.T. van Rens als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer C/16/530236/HA/ ZA 21-748 (verder: de hoofdzaak).
2.2.
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek. De rechter heeft eerder in de kortgedingprocedure in deze zaak over exact hetzelfde dossier geoordeeld en met het vonnis van 6 juli 2021 [1] de vordering van verzoekster afgewezen. Volgens verzoekster had het op de weg van de rechter gelegen om zich daarom in de hoofdzaak te verschonen dan wel om duidelijk aan partijen kenbaar te maken dat hij eerder in kort geding over dezelfde kwestie heeft geoordeeld. Dat heeft de rechter niet gedaan. Op de zitting in de hoofdzaak bleek volgens verzoekster dat de rechter geen interesse had in een diepgaande inhoudelijke behandeling. Hij wenste de zitting vrij snel te sluiten. Hieruit kan verzoekster niet anders concluderen dan dat de rechter klaarblijkelijk vooringenomen is, althans de schijn daartoe heeft gewekt.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij zich op het standpunt dat het enkele feit dat hij over het geschil in de hoofdzaak in een eerder stadium ook heeft geoordeeld als voorzieningenrechter, voor hem geen reden was om deze zaak niet te behandelen. Hij herkent zich er niet in dat hij op de zitting onvoldoende geïnteresseerd was in wat door verzoekster werd aangevoerd, of dat hij de zitting snel wilde sluiten.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
3.3.
De wrakingskamer stelt vast dat de aanvulling op het wrakingsverzoek van
19 juni 2023 veel later dan dat de feitelijke gronden tot wraking bekend zijn geworden is ingediend. Maar omdat verzoekster daarin alleen een nadere toelichting heeft gegeven op de gronden die zij al direct op 15 mei 2023 heeft ingediend en deze toelichting op het verzoek ook alleen op de zitting had kunnen worden gegeven, neemt de wrakingskamer deze aanvulling mee in haar beoordeling van het verzoek.
3.4.
Het enkele feit dat de rechter in een eerder stadium van de procedure reeds bemoeienis heeft gehad met de zaak of in kort geding een vonnis heeft gewezen tussen dezelfde partijen, rechtvaardigt op zichzelf niet de vrees voor vooringenomenheid. Dit kan echter anders zijn als er bijkomende omstandigheden zijn. Bijvoorbeeld als de rechter eerder als voorzieningenrechter een zodanig oordeel over de zaak heeft uitgesproken dat hij reeds op de einduitspraak in de zaak is vooruitgelopen. [2]
3.5.
In dit geval is de vrees van verzoekster vanwege bijkomende omstandigheden naar het oordeel van de wrakingskamer objectief gerechtvaardigd. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat de rechter in zijn vonnis in kort geding al inhoudelijk heeft beslist over meerdere rechtsvragen die ook in de bodemzaak aan de orde zijn en voor de uitkomst daarvan bepalend zijn. Deze beslissingen in kort geding zijn bevestigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de uitspraak van 5 april 2022. [3] Op de zitting in de hoofdzaak heeft de rechter aan deze beslissingen gerefereerd. De rechter heeft verzoekster weliswaar in de gelegenheid gesteld om hem er van te overtuigen dat hij in de bodemzaak een andere beslissing zou moeten nemen dan dat het hof had gedaan, maar omdat het hof zijn vonnis had bevestigd, had die vraag impliciet betrekking op de beslissingen in zijn vonnis. De rechter heeft op zitting niet aangegeven dat er redenen kunnen zijn om in de bodemprocedure tot een andere afweging te komen. Een andere afweging zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn als er aanleiding is voor nadere bewijslevering nu in kort geding daar geen plaats voor is, zoals het hof ook in zijn arrest heeft overwogen. De rechter heeft op de zitting in de hoofdzaak geen aandacht besteed aan de mogelijkheid van nadere bewijslevering, terwijl verzoekster in de dagvaarding wel een (concreet) bewijsaanbod heeft gedaan. Dit wekt de indruk dat er in dit geval geen reden was voor een nadere bewijslevering en daarmee voor een mogelijk andere afweging.
3.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking toewijzen.
3.7.
Dit betekent dat de zaak aan een andere rechter zal moeten worden toebedeeld. Deze rechter zal bepalen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet. De wrakingskamer kan in deze beslissing geen oordeel geven over de vraag of er in de hoofdzaak een nieuwe hoorzitting moet worden gehouden. Die beslissing is aan de rechter die de zaak inhoudelijk zal beoordelen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking toe;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, en aan de betrokken teamvoorzitter van het team van de afdeling Civiel recht, waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. S.M. Schothorst en
mr. E.W.A. Vonk als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door
mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.De Wrakingskamer verwijst hierbij naar de uitspraken van het EHRM van 24 mei 1989, ECLI:NL:XX:1989:AD0800, NJ 1990/627, van 10 juni 1996, ECLI:NL:XX:1996:AD4437, NJ 1998/184, en van 15 februari 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA6783, NJ 20007/536 en van de Hoge Raad van 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004 en van 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4012.