ECLI:NL:RBMNE:2023:2387

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2023
Publicatiedatum
22 mei 2023
Zaaknummer
UTR 22/1481
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie kinderopvangtoeslag en institutioneel vooringenomen handelen in de toeslagenaffaire

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 19 mei 2023, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om compensatie voor kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2018 beoordeeld. Eiseres had verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag, maar haar aanvraag werd door de Belastingdienst/Toeslagen afgewezen. De rechtbank behandelt de argumenten van eiseres, waaronder de stelling dat er sprake was van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de aanvraag voor compensatie terecht was, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake was van institutioneel vooringenomen handelen of dat de hardheidsregeling van toepassing was. De rechtbank wijst erop dat de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag zijn gebaseerd op een gewijzigd toetsingsinkomen en het aantal afgenomen opvanguren. Eiseres heeft geen bewijs geleverd dat de Belastingdienst onterecht heeft gehandeld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beslissing van de Belastingdienst.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1481

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.L. Mens),
en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [locatie] (verweerder)

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek van eiseres om compensatie kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2018.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 mei 2021 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 februari 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek aanleiding gezien voor heropening van het onderzoek en verwijzing naar de meervoudige kamer.
Op 16 januari 2023 heeft verweerder het persoonlijke dossier van eiseres overgelegd. Eiseres heeft haar zienswijze gegeven op dit persoonlijke dossier.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Inleiding over de hersteloperatie toeslagen

1. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door verweerder toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.
2. De herstelregelingen waren ten tijde van het bestreden besluit – voor zover hier van belang – opgenomen in de artikelen 49 (hardheidsregeling), 49b (compensatieregeling) en 49c (opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkomingsregeling) van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De compensatieregeling van artikel 49b Awir is uitgewerkt in het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (de Compensatieregeling).
3. Op grond van deze regelingen kon aan gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire bij wie sprake was van een behandeling op basis van institutionele vooringenomenheid of bij wie de hardheid van het wettelijke systeem tot onbillijkheden van overwegende aard leidde, compensatie of tegemoetkoming geboden worden voor onterecht misgelopen kinderopvangtoeslag, voor materiële en immateriële schade, en voor bijkomende kosten.
4. In aanvulling daarop is ook de zogenaamde Catshuisregeling tot stand gekomen. Gedupeerde ouders konden op grond van de Catshuisregeling snel een forfaitair bedrag van € 30.000,- ontvangen vooruitlopend op een verdere beoordeling.
5. Sinds eind 2022 zijn deze regelingen opgenomen in de nieuwe Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
6. De procedure bij deze herstelregelingen is dat een gedupeerde ouder zich eerst meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In de eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.
7. Vanaf het moment dat een ouder zich meldt bij de UHT kan deze ouder, afhankelijk van het traject waarin de ouder zich bevindt, te maken krijgen met verschillende commissies. Het gaat dan om de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF en vergelijkbare zaken/toeslagen (Commissie van Wijzen), de bezwaarschriftenadviescommissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en de Commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Commissie werkelijke schade). Dit zijn allen onafhankelijke commissies, die ieder in een afzonderlijk traject advies uitbrengen aan de UHT.

Totstandkoming van het besluit

Inleiding
8. Eiseres heeft een minderjarige zoon, geboren op [2014] . Eiseres ging in 2015 studeren en daarom was het noodzakelijk dat haar zoon naar de kinderopvang ging. De eerste keer dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd was in 2015.
9. Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft op 18 februari 2020 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2018. Zij moet in totaal € 12.953,- inclusief toeslagrente terugbetalen aan teveel ontvangen kinderopvangtoeslag. Zij stelt dat verweerder fouten heeft gemaakt en dat over deze jaren teveel aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Door de hoge terugvorderingen is eiseres noodgedwongen verhuisd naar Sint Maarten en is zij nog steeds bezig haar gemaakte schulden af te lossen.
10. Op 21 november 2020 heeft verweerder aan eiseres een eenmalige tegemoetkoming van € 750,- toegekend in verband met het lang moeten wachten op een herbeoordeling van haar situatie.
11. Verweerder heeft op basis van de lichte toets (de Catshuisregeling) bij besluit van 1 mei 2021 voorlopig geoordeeld dat in de desbetreffende toeslagjaren geen sprake is geweest van een situatie waarin eiseres ten onrechte toeslag heeft terug moeten betalen, dan wel toeslag ten onrechte is stopgezet. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor de toekenning van het bedrag van € 30.000,-.
12. Verweerder heeft vervolgens het verzoek van eiseres om herbeoordeling integraal beoordeeld. Verweerder heeft daartoe advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen.
13. Het verzoek om compensatie is bij het primaire besluit afgewezen, onder verwijzing naar het advies van de Commissie van Wijzen van 10 mei 2021. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij is op 12 november 2021 gehoord door de bezwaaradviescommissie.
Het bestreden besluit
14. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres onder verwijzing naar het advies van de Commissie van Wijzen van 10 mei 2021 en het advies van de bezwaaradviescommissie van 10 januari 2022, ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen recht op compensatie in de zin van artikel 49b van de Awir
,omdat niet aannemelijk is geworden dat er bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 tot en met 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van hardheid in de zin van artikel 49 van de Awir. Er moet door eiseres over de jaren 2015 tot en met 2018 kinderopvangtoeslag worden terugbetaald omdat zij uiteindelijk op minder kinderopvangtoeslag recht had dan waarmee in de voorschotbeschikkingen rekening was gehouden. De toeslagen zijn gewijzigd op grond van een gewijzigd toetsingsinkomen en/of minder aantal afgenomen opvanguren dan vooraf was opgegeven. De terugvorderingen houden geen verband met een signalering op de Fraude Signalering Voorziening (FSV) lijst. Ook is niet aannemelijk geworden dat aan eiseres een betalingsregeling zou zijn geweigerd op grond van opzet, dan wel grove schuld (O/GS) (artikel 49c Awir). Er zijn geen stukken bekend die betrekking hebben op de (weigering van) betalingsregelingen, ook niet bij het Landelijk Incassocentrum. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

15. De rechtbank beoordeelt in het onderstaande de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres om compensatie heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
16. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
17. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
18. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 49 (hardheidsregeling), 49b (compensatieregeling) en 49c van de Awir (O/GS-tegemoetkomingsregeling, de Compensatieregeling en de Catshuisregeling).
19. Met ingang van 5 november 2022 is Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) [1] van kracht. Voornoemde herstelregelingen zijn ondergebracht in deze Wht. Deze wet biedt met terugwerkende kracht vanaf 26 januari 2021 een wettelijke grondslag voor besluiten die op grondslag van voornoemde herstelregelingen zijn genomen. Op grond van het overgangsrecht [2] wordt het bestreden besluit, aangemerkt als een beschikking die is gegeven krachtens de Wht. De inhoud van de Wht is vergelijkbaar met voornoemde herstelregelingen.
Over het advies van de Commissie van Wijzen
20. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gebaseerd op het advies van de Commissie van Wijzen. De Commissie van Wijzen is ingesteld op grond van artikel 49e van de Awir, thans artikel 5.2, eerste lid, van de Wht. Het advies van de Commissie van Wijzen is een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur. [3] Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. [4]
21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder afdoende toegelicht dat hij op grond van de op hem rustende vergewisplicht beoordeeld heeft dat het oordeel van de Commissie van Wijzen op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en het advies ook overigens aan de voormelde voorwaarden voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Commissie van Wijzen niet aan deze voorwaarden voldoet, dan wel onjuist is. Hetgeen eiseres in haar beroepsgronden aanvoert, is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft het rapport van de Commissie van Wijzen dan ook bij zijn besluitvorming mogen betrekken. De rechtbank zal dit in het onderstaande aan de hand van de beroepsgronden van eiseres uitleggen.
Over de beroepsgronden van eiseres
22. Ter zitting is de kern van het geschil beperkt tot de volgende vier gronden. In de eerste plaats gaat het om de vraag of verweerder institutioneel vooringenomen heeft gehandeld over de jaren 2015 tot en met 2018. Voorts is in geschil de vraag of verweerder het verzoek om compensatie terecht heeft afgewezen omdat eiseres niet in aanmerking komt voor de hardheidsregeling. Daarnaast geeft de rechtbank een oordeel over de vraag of eiseres er op mocht vertrouwen dat de mededeling in de brief van 24 juli 2017 niet zou leiden tot een wijziging in haar aanspraak op kinderopvangtoeslag over de jaren 2016 en 2017. Tot slot beroept eiseres zich op de omstandigheid dat deugdelijk procederen door verweerder niet mogelijk wordt gemaakt omdat eiseres geen compleet dossier heeft ontvangen.
Institutioneel vooringenomen handelen
23. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond dat er wel sprake is van institutioneel vooringenomen handelen, omdat eiseres onderdeel is geweest van een met CAF-11 vergelijkbaar onderzoek, ingetrokken.
24. Eiseres voert aan dat er wel sprake is van institutioneel vooringenomen handelen op individuele basis. Ter zitting heeft eiseres deze grond beperkt tot de jaren 2015, 2017 en 2018.
25. Eiseres stelt daartoe kortgezegd dat verweerder het recht op kinderopvangtoeslag heeft gebaseerd op verkregen informatie van de kinderopvanginstelling en eiseres geen stukken heeft kunnen insturen omdat eiseres geen informatiebrief van verweerder heeft ontvangen. Zo heeft verweerder in 2015 geen gegevens opgevraagd bij eiseres en is zonder aankondiging overgegaan tot terugvordering, terwijl bij onderzoek zou zijn gebleken dat het kind van eiseres fulltime naar twee verschillende kinderopvanginstellingen ging. In 2017 is door verweerder aangegeven dat de door eiseres overgelegde gegevens niet zouden leiden tot een wijziging van onder meer de toeslag over 2017, waarna zonder toelichting toch over 2017 werd teruggevorderd. In 2018 heeft verweerder de kinderopvangtoeslag gedeeltelijk teruggevorderd zonder dat eiseres een toelichting heeft kunnen geven. Dit terwijl verweerder wist dat eiseres was verhuisd naar Sint Maarten en daardoor niet op de brieven heeft kunnen reageren die verweerder hierover heeft gestuurd. Verder heeft verweerder jarenlang aan eiseres medegedeeld dat sprake was van een gewijzigd toetsingsinkomen, waardoor eiseres niet wist dat de terugvorderingen ook waren gebaseerd op het aantal opvanguren. Tot slot wijst eiseres erop dat verweerder nooit heeft gereageerd op de door haar ingediende bezwaarschriften en dat zij op de FSV-lijst staat en dat verweerder haar ook daarom vooringenomen heeft behandeld.
26. De rechtbank stelt vast dat de vraag of sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door verweerder is beoordeeld aan de hand van de kernmerken genoemd in onderdeel 2.2 van de Compensatieregeling. Zoals vermeld is deze regeling nu opgenomen in de Wht, hoofdstuk 2. De van toepassing zijnde kenmerken zijn gelijk gebleven, te weten (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (zachte stop); (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) het zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken, en (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
27. Tijdens de zitting is komen vast te staan dat tussen partijen in geschil is of sprake is van de kenmerken genoemd onder 4 en 5. De vraag is derhalve of sprake is van het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming in de door de ouder verstrekte bewijsstukken (ad 4) en/of dat sprake is van het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken (ad 5).
28. De rechtbank overweegt dat de keren dat verweerder gegevens heeft opgevraagd bij eiseres en eiseres informatie heeft aangeleverd, dat niet heeft geleid tot wijzigingen in de voorschotbedragen aan kinderopvangtoeslag die zij heeft aangevraagd. Uit het dossier valt niet af te leiden dat de informatieverzoeken die verweerder over 2015, 2017 en 2018 al dan niet zou hebben verstuurd, van invloed zijn geweest op de aanspraak van eiseres op de kinderopvangtoeslag over die jaren. Ook blijkt uit het dossier niet dat sprake is geweest van het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
29. Uit een brief van verweerder van 24 juli 2017 (productie 19), waarvan vaststaat dat eiseres die brief heeft ontvangen, blijkt namelijk dat eiseres géén nieuwe voorschotbeschikking over 2017 krijgt naar aanleiding van de door haar op verzoek van verweerder verstrekte informatie over 2017.
30. Uit het persoonlijke dossier van eiseres blijkt verder dat eiseres geen nieuwe voorschotbeschikking krijgt over 2017 ondanks het feit dat uit pagina 155 van het persoonlijke dossier van eiseres blijkt dat op dat moment wel sprake was van een afwijking van 7 uren in het aantal uren dat de zoon van eiseres per maand naar de kinderopvang zou zijn gegaan (183 uren per maand volgens de opvanginstelling en 190 uren volgens opgave van eiseres). Verweerder heeft deze afwijking geaccepteerd en niet aangemerkt als een onregelmatigheid. Er was daardoor sprake van een klein verschil in het voordeel van eiseres.
31. Vervolgens is pas bij de definitieve vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2017 het recht op kinderopvangtoeslag naar beneden bijgesteld. De reden daarvoor was niet gelegen in door eiseres verstrekte informatie, maar in het feit dat er uiteindelijk over het gehele jaar 2017 minder opvanguren zijn afgenomen. Verweerder heeft die berekening gebaseerd op de opgave van de uren van de kinderopvanginstellingen over 2017 en dat mag verweerder doen op grond van de wet- en regelgeving.
32. Ten aanzien van andere brieven met informatieverzoeken over de andere relevante jaren – die al dan niet verzonden zijn – geeft het persoonlijk dossier van eiseres hetzelfde beeld. Uit het dossier blijkt niet dat dit consequenties heeft gehad voor het recht op kinderopvangtoeslag. De beschikkingen over 2015, 2017 en 2018 waarmee de toeslag definitief is vastgesteld, zijn gebaseerd op informatie van de kinderopvanginstelling en dat is zoals reeds vermeld toegestaan.
33. Over de kwalificatie hoog risico op pagina 155 in het dossier heeft verweerder op de zitting toegelicht dat dit betekent dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en dat het aantal uren dat is opgevoerdniet overeenkomt met de door de kinderopvangorganisatie doorgegeven uren. Voor verweerder is dit een signaal om handmatig te controleren of dit gevolgen heeft voor de aanspraken op toeslagen en of de wijziging juist is doorgegeven. De kwalificatie hoog risico kan daarom niet worden gezien als een handeling die wijst op vooringenomenheid. De rechtbank vindt deze uitleg aanvaardbaar.
34. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat de omstandigheid dat de naam van eiseres voorkomt op een FSV-lijst niet van invloed is geweest op de definitieve vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag. De reden van de bijstelling van de kinderopvangtoeslag is gelegen in de berekening van het definitieve recht op kinderopvangtoeslag aan de hand van het aantal uren kinderopvang. De plaatsing op een FSV-lijst heeft daarbij geen rol gespeeld. Bovendien is het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag nimmer op nihil gesteld. Daarbij komt dat verweerder afdoende heeft toegelicht dat de plaatsing op deze lijst te maken had met aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011 en 2012, en niet met de kinderopvangtoeslag.
35. In de gedingstukken en het persoonlijke dossier ziet de rechtbank gezien al het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen op basis van individuele omstandigheden van eiseres. De overige argumenten van eiseres geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat er nooit is gereageerd op de door haar ingediende bezwaarschriften, wijst de rechtbank er op dat er in het persoonlijk dossier van eiseres geen bezwaarschriften zijn aangetroffen waarop verweerder niet heeft gereageerd
.De beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Hardheidsregeling
36. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de hardheidsregeling van toepassing zou moeten zijn. Het wettelijk systeem heeft te hard uitgepakt voor eiseres. Het leven van eiseres is verwoest door terugvorderingen, de weigeringen van de betalingsregelingen, het ontbreken van de wetenschap over de reden van terugvorderingen, de dwanginvorderingen en de alsmaar oplopende schulden. Eiseres verwijst naar al hetgeen zij in het kader van de vorige beroepsgrond heeft gesteld.
37. In artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht, staat dat verweerder op aanvraag compensatie toekent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing het wettelijke systeem voor 23 oktober 2019.
38. Uit de Memorie van toelichting [5] bij dit artikel van de Wht blijkt dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b, sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
– een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;
– een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
– een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.
Er is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als:
– de belanghebbende te kwader trouw is;
– de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;
– de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.
39. De rechtbank overweegt dat de omstandigheden zoals door eiseres zijn aangevoerd niet raken aan de bijzondere omstandigheden zoals hiervoor genoemd. Daarbij komt dat de reden voor de bijstelling van de kinderopvangtoeslag over de hier aan de orde zijnde jaren was gelegen in (i) het feit dat het aantal daadwerkelijk afgenomen uren anders is dan het aantal uren op basis waarvan het voorschot berekend is en/of (ii) een afwijking tussen het daadwerkelijke vastgestelde toetsingsinkomen over een jaar en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Deze omstandigheden zijn gezien het gestelde in overweging 38 uitdrukkelijk niet als een bijzondere omstandigheid aangemerkt op basis waarvan hardheid kan worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
O/GS-tegemoetkoming
40. Eiseres voert aan dat haar verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling zijn geweigerd vanwege het feit dat zij op de FSV-lijst stond.
41. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Dit terwijl verweerder voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat navraag is gedaan bij de Landelijk Incasso Centrum, maar dat daar geen gegevens bekend zijn dat eiseres een persoonlijke betalingsregeling voor de terugvorderingen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. De beroepsgrond slaagt alleen al om deze reden niet.
Vertrouwensbeginsel
42. Eiseres voert aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat in een brief van 24 juli 2017 (productie 19) over de toeslagjaren 2016 en 2017 aangegeven is dat de overgelegde gegevens niet zouden leiden tot een wijziging in de kinderopvangtoeslag. Vervolgens is verweerder toch tot een terugvordering over beide jaren overgegaan bij de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag.
43. De rechtbank overweegt dat deze brief geen aanknopingspunt biedt dat sprake is van een toezegging dat de kinderopvangtoeslag in het geheel niet meer zou worden gewijzigd. De brief van 24 juli 2017 ziet immers op een voorschot van het recht op kinderopvangtoeslag naar aanleiding van een beoordeling van stukken die eiseres had ingediend. Het is een rechtsregel dat de kinderopvangtoeslag uiteindelijk toch kan worden bijgesteld bij het definitief vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag. Dat is gebeurd in de situatie van eiseres. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve niet.
Complete dossier
44. Volgens eiseres maakt verweerder een deugdelijk onderbouwd beroep onmogelijk omdat, ondanks herhaaldelijk verzoek van eiseres, zij ten tijde van het indienen van haar beroepschrift niet beschikte over haar persoonlijke dossier. Inmiddels heeft verweerder het persoonlijke dossier toegestuurd, maar volgens haar is het dossier nog steeds niet compleet.
45. De rechtbank stelt vast dat een persoonlijk dossier niet samenvalt met de op de zaak betrekking hebbende stukken. Op verzoek van de rechtbank, ingegeven door de beroepsgronden van eiseres, heeft verweerder het persoonlijke dossier aan eiseres en aan de rechtbank toegestuurd. Hierdoor is het persoonlijke dossier onderdeel geworden van de processtukken. Dat het dossier niet volledig is, heeft verweerder ter zitting beaamd. Eiseres heeft niet gesteld, en ook is niet gebleken, dat verweerder tekort is geschoten bij het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Hardheidsclausule
46. Voor zover eiseres betoogt dat dit alles voor haar leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat verweerder de hardheidsclausule zou moeten toepassen overweegt de rechtbank als volgt.
47. Op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht kan verweerder bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning.
48. De rechtbank is van oordeel dat zij kan begrijpen dat eiseres een ongemakkelijk gevoel heeft hoe alles bij haar is verlopen, maar de rechtbank stelt vast dat verweerder de hoogte van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2018 heeft vastgesteld in overeenstemming met de wettelijke regeling. In die situatie is er geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard.

Conclusie en gevolgen

49. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen compensatie kinderopvangtoeslag krijgt.
50. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzitter, en mr. J.J. Catsburg en mr. J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2023.
De voorzitter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:9
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Wet hersteloperatie toeslagen
(geldend vanaf 5 november 2022)
Artikel 2.1. Compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag
1. De Belastingdienst/Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Belastingdienst/Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
2. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
3. Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Belastingdienst/Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend.
4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.
5. De compensatie en de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade blijven achterwege voor zover op een andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien of voor zover aan de aanvrager een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals dit luidde ten tijde van de aanvraag van de O/GS-tegemoetkoming, of als bedoeld in artikel 2.6 is toegekend.
Artikel 2.2. Componenten compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag
De compensatie bestaat uit:
een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond van artikel 40 of 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag;
een bedrag voor materiële schade;
een bedrag voor immateriële schade;
n bedrag voor invorderingskosten;
een bedrag voor proceskosten;
een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag.
Artikel 8.6 Overgangsrecht in verband met terugwerking van de artikelen van de afdelingen 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 en 4.2
Beschikkingen ter zake van compensatie (…) die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 onderscheidenlijk 4.2, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 of 4.2 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen.
Artikel 9.1. Hardheidsclausules
1. De Belastingdienst/Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning.
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister van Financiën afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
b.het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in Hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afwijken van artikel 3.6;
c.de Sociale verzekeringsbank, genoemd in Hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afwijken van artikel 3.7;
d.het college van burgemeester en wethouders afwijken van artikel 3.8 of 2.21;
e.Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijken van artikel 3.9;
f.het CAK, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, van artikel 3.10 afwijken;
g.de Wlz-uitvoerder, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, van artikel 3.11 afwijken; en
h.het college, bedoeld in de artikelen 1.1 van de Jeugdwet en 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, van artikel 3.12 afwijken.
Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken
(geldend van 8 september 2020 tot en met 4 november 2022, vervallen per 2 februari 2023 met terugwerkende kracht tot en met 5 november 2022)
Dit besluit bevat beleidsregels voor de verstrekking van een compensatie aan ouders vanwege de institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken.
2. Doelgroep
Dit besluit voorziet in een compensatie voor de ouder die deel uitmaakte van het CAF 11-onderzoek (onderdeel 2.1), die deel uitmaakte van een vergelijkbaar (CAF-)onderzoek (onderdeel 2.2) of die aannemelijk maakt dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (onderdeel 2.3). (…)
2.2.Vergelijkbare (CAF-)onderzoeken
(…)
De Adviescommissie heeft in haar advies de (CAF-)onderzoeken geïdentificeerd waarin waarschijnlijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of waarin mogelijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze. De Belastingdienst/Toeslagen zal voor deze (CAF-)onderzoeken aan de hand van de door de Adviescommissie beschreven kenmerken beoordelen of daadwerkelijk sprake was van een institutioneel vooringenomen handelwijze. Het gaat hierbij om de volgende kenmerken:
1. Een collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (‘zachte stop’).
2. Het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren.
3. Een zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden.
4. Het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
5. Het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
Bij de beoordeling van de (CAF-)onderzoeken aan deze kenmerken gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een onderzoek. De afwezigheid van één kenmerk betekent niet dat er geen sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze evenmin als dat de aanwezigheid van meerdere kenmerken per definitie een institutioneel vooringenomen handelwijze betekent. De beoordeling geschiedt op basis van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, inclusief het onderzoeksdossier.
(…)
2.3.
Ouders die zich melden
Een ouder die van mening is dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de (individuele) beoordeling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, kan tot en met 31 december 2023 bij de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag voor compensatie indienen. De ouder zal in dat geval op basis van de in onderdeel 2.2 genoemde kenmerken aannemelijk moeten maken dat bij de (individuele) beoordeling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar door de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen is gehandeld of dat hij behoort tot de doelgroep van een (CAF-)onderzoek waarvan de Belastingdienst/Toeslagen heeft geoordeeld dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. De Belastingdienst/Toeslagen beoordeelt of hiervan sprake is geweest. Als de voorlopige conclusie van de Belastingdienst/Toeslagen is dat geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen, dan wordt deze conclusie voorgelegd aan de commissie van onafhankelijke deskundigen. Het oordeel van deze commissie is voor de Belastingdienst/Toeslagen leidend.
Als de voorlopige conclusie van de Belastingdienst/Toeslagen is dat geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen, dan wordt deze conclusie voorgelegd aan de commissie van onafhankelijke deskundigen Het oordeel van deze commissie is voor de Belastingdienst/Toeslagen leidend.
Als de Belastingdienst/Toeslagen – al dan niet na het voorleggen aan de commissie van onafhankelijke deskundigen – oordeelt dat bij de betreffende ouder sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze, komt de ouder in aanmerking voor compensatie, tenzij er sprake is van een ernstige onregelmatigheid die in de weg staat aan het toekennen van compensatie (onderdeel 2.4).
Als de Belastingdienst/Toeslagen – na het voorleggen aan de commissie van onafhankelijke deskundigen – oordeelt dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de betreffende ouder niet institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, dan wijst de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag voor compensatie af. (…).

Voetnoten

1.Wet van 2 november 2022, houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), Staatsblad 2022, 433 en 434, kamerstukken 36151
2.Artikel 8.6 van de Wht
3.zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197, onder 2.3
4.zie de uitspraak van de ABRvS van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566, onder 4.1.
5.Tweede kamer. Vergaderjaar 2021-2022, 36151, nr. 3, p. 71.