Eiseres verzocht de Minister van Onderwijs om bij de vaststelling van haar aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader, vanwege onbekendheid met zijn verblijfplaats en een ernstig verstoorde relatie. De Minister wees dit verzoek af omdat de vader niet onvindbaar was en geen sprake was van een ernstig en structureel conflict.
Eiseres maakte bezwaar en voerde aan dat er sinds haar twaalfde geen normaal contact was en dat er sprake was van lichamelijk en geestelijk geweld. De Minister handhaafde het besluit. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevatte, maar dit passeren kon omdat eiseres niet benadeeld was. De Minister moet het griffierecht en proceskosten vergoeden.
Inhoudelijk concludeerde de rechtbank dat eiseres onvoldoende bewijs leverde voor een langdurig ernstig verstoorde relatie, mede omdat een deskundigenverklaring ontbrak. Ook was er geen bewijs van geen wezenlijk contact sinds twaalf jaar, aangezien uit het rapport bleek dat contact tot haar veertiende plaatsvond. De verblijfplaats van de vader was bekend bij de Minister, waardoor onvindbaarheid niet aan de orde was.
De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat er geen onvoorziene of onbillijke situatie bestond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de afwijzing van het verzoek tot loskoppeling en veroordeelde de Minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.