Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
Overwegingen
€ 339.000,-.
Rechtbank Midden-Nederland
De gemeente heeft de WOZ-waarde van een woning vastgesteld op €339.000,- per 1 januari 2020, wat eiser betwistte en een lagere waarde van €290.000,- vorderde. Eiser stelde dat de gemeente niet alle relevante stukken had verstrekt en dat er onvoldoende rekening was gehouden met de gedateerde voorzieningen, asbest en de onderhoudstoestand van de woning.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling, onder meer door een taxatiematrix met vergelijkbare woningen en toelichting op de gebruikte factoren. De door eiser aangevoerde gebreken en waardeverminderingen waren onvoldoende onderbouwd om de vastgestelde waarde te verlagen.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet tijdig en volledig had gereageerd op verzoeken om aanvullende informatie, waardoor sommige beroepsgronden niet ontvankelijk waren. Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €339.000,- wordt ongegrond verklaard.