De rechtbank Midden-Nederland behandelde een zaak over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader met gezag. De kinderen zijn sinds juni 2020 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij de vader. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van deze maatregelen tot juni 2023.
De moeder stemde in met de verlenging van de ondertoezichtstelling maar verzocht om een contra-expertise vanwege twijfels over het eerdere perspectiefonderzoek door een zorgorganisatie. Zij wilde dat zorgvuldig werd onderzocht of de kinderen bij haar konden opgroeien. De vader en de Raad voor de Kinderbescherming steunden het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing bij de vader.
De rechtbank oordeelde dat artikel 810a lid 2 Rv, dat het benoemen van een deskundige op verzoek van een ouder regelt, niet van toepassing is bij uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag, omdat dit geen volledige uithuisplaatsing buiten het gezin betreft maar een gezagsgeschil over hoofdverblijfplaats. Het eerdere onderzoek werd als deugdelijk beoordeeld. De verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing werd noodzakelijk geacht in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.