Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.INLEIDING
- [benadeelde 1] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 2] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers.
- ‘ [PGP gebruikersnaam B 1] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam B 3] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam B 4] ’.
vermoedelijk [B], daar waar zij deze sterke aanwijzingen ziet.
- alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten;
- alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 15] en [medeverdachte 20] zijn opgenomen;
- documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten.
2.TENLASTELEGGING
VOORVRAGEN,
OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES MET BETREKKING TOT DE KROONGETUIGE
. [1] De rechtbank wijst er overigens in dit verband op dat de kluisverklaringen door [medeverdachte 1] reeds zijn afgelegd vóórdat de strafvorderlijke overeenkomst met hem is gesloten, dus zonder dat hij wist óf de overeenkomst gesloten zou worden en zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de beschermingsovereenkomst nóg later, namelijk pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf zullen worden bepaald. Dit levert dus geen aanwijzing op dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst.
eigenverhaalsmogelijkheden bij [medeverdachte 1] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden heeft kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN
- [medeverdachte 5] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] ’ en [PGP gebruikersnaam medeverdachte 5] (deelonderzoek Goudvink);
- [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’;
- [medeverdachte 7] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 7] ’;
- [medeverdachte 18] heeft de bijnaam ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 18] ’.
Liquidatie van [slachtoffer 17]
Forensisch onderzoek
Getuigen
Beschouwing naar aanleiding van het forensisch onderzoek en de plaats delict-getuigen
Het scenario waarbij [medeverdachte 5] , [medeverdachte 17] en [medeverdachte 18] betrokkenheid hebben bij de liquidatie van [slachtoffer 17]
De rol van [verdachte]
De criminele organisatie
De deelnemers aan de criminele organisatie
deelneming aaneen organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor ‘deelneming’ voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd (zie Hoge Raad 18 november 1997, NJ 1998/225). Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben (zie Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651).
5.BEWEZENVERKLARING
- het opzettelijk met voorbedachten rade een ander van het leven beroven zoals bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht en
- voorbereiding daarvan zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht en
- het voorhanden hebben van wapens van de categorieën II en III en van munitie van categorieën II en III zoals bedoeld in de Wet Wapens en Munitie.
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BELISSING
- verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven beroven (zoals bedoeld in artikel 287 en Pro/of artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht) en/of
- voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht), en/of
- het voorhanden hebben van en/of overdragen van één of meer wapens van de categorieën 1 en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III (zoals bedoeld in de artikelen 13 en/of 14 en/of 26 en/of 31 van de Wet Wapens en Munitie).