Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
gemachtigde: G. Gieben,
1.Procesverloop
2.Overwegingen
3.Beslissing
.De beslissing is uitgesproken op 29 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die was vastgesteld op €701.000 voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en pleitte voor een vaststelling op €609.000, onder meer vanwege onvoldoende inzicht in de gehanteerde indexeringspercentages en gebreken aan de woning zoals enkele beglazing en matige onderhoudstoestand.
Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatierapport en drie referentieobjecten, waarbij correcties werden toegepast wegens vermeende slechte staat van die woningen. De rechtbank oordeelde dat deze correcties niet voldoende waren onderbouwd en dat ook eiser zijn lagere waarde niet aannemelijk had gemaakt.
Gezien de feiten en omstandigheden stelde de rechtbank de WOZ-waarde in goede justitie vast op €690.000. Omdat het beroep gegrond werd verklaard, werd de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd en verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser.
De rechtbank liet een oordeel over de vermeende schending van artikel 40 Wet Pro WOZ en artikel 7:4 Awb Pro achterwege, omdat het beroep op inhoudelijke gronden gegrond werd verklaard.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €690.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.