ECLI:NL:RBMNE:2021:6428
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde winkelpand ongegrond met toekenning immateriële schadevergoeding
Eiseres betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van haar winkelpand per 1 januari 2018, gesteld op €502.000,-, en stelde een lagere waarde van €240.000,- voor. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatierapport gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij hij acht vergelijkbare huurtransacties en vijf referentieobjecten gebruikte.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. De huurovereenkomst van eiseres uit 2021 was niet relevant voor de waardepeildatum en de aangevoerde verschillen in referentieobjecten en kapitalisatiefactoren werden onvoldoende onderbouwd. De coronapandemie was op de waardepeildatum nog niet van toepassing.
Daarnaast kende de rechtbank eiseres een immateriële schadevergoeding van €500,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep, mede vanwege coronagerelateerde vertragingen. Tevens werd verweerder (de Staat) veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding van €500,- wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.