Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 december 2021 in de zaak tussen
en haar vennoten
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers, bestaande uit een zorgverlener en haar vennoten, maakten bezwaar tegen de intrekking van persoonsgebonden budgetten (pgb) van 93 budgethouders. De intrekking was gebaseerd op het niet nakomen van pgb-verplichtingen door de budgethouders, die echter te goeder trouw waren. De budgethouders hadden hun vorderingen op de zorgverlener aan het zorgkantoor overgedragen.
Eisers maakten pas bezwaar nadat het zorgkantoor een civiele vordering tegen hen had ingesteld, ruim na de wettelijke bezwaartermijn van zes weken na de primaire besluiten. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belanghebbende status en vanwege de termijnoverschrijding die eisers redelijkerwijs te verwijten was.
De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding eisers wel degelijk kan worden verweten, ook al was er onduidelijkheid over hun belanghebbende status. De civielrechtelijke vordering die later werd ingesteld, maakt hen niet met terugwerkende kracht belanghebbenden bij de primaire besluiten. Het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar van de zorgverlener tegen de intrekking van pgb's is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn die haar redelijkerwijs te verwijten is.