Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
Hema)).
NJ1980, 328; HR 21 januari 2000,
NJ2000, 190;
JAR2000/45). Beslissend voor de aanvang is het tijdstip waarop een vermoeden van het bestaan van de dringende reden voor een ontslag op staande voet ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. De werkgever moet vanaf dat moment voortvarend handelen. Enig uitstel is mogelijk, bijvoorbeeld als onderzoek niet verricht kan worden door ziekte of een reeds geplande vakantie van de werknemer. Zodra de tot ontslag bevoegde persoon bekend is met een bewijsbare dringende reden moet omgaand tot ontslag overgegaan worden. Dan is uitstel in beginsel niet meer gerechtvaardigd, behalve als de werknemer de keuze wordt gegeven om binnen korte tijd een vaststellingsovereenkomst te accepteren of om zelf ontslag te nemen, ter voorkoming van een ontslag op staande voet. De toegestane bedenktijd voor de werknemer is zeer kort, afhankelijk van de omstandigheden kan dat maximaal enkele dagen omvatten.
emoji’s, niet kan worden volgehouden dat deze een louter zakelijk karakter dragen. Gelet op al deze omstandigheden in hun onderlinge verband beschouwd is de kantonrechter van oordeel dat van [verzoekster] redelijkerwijze niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortbestaan. Dat [verweerder] gedurende elf jaren onberispelijk heeft gefunctioneerd legt, gelet op de ernstige aard van de hiervoor vermelde verwijten, onvoldoende gewicht in de schaal om over de dringendheid van de reden voor het ontslag anders te denken.