Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Kamer van Koophandel [woonplaats], verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Aan mevrouw [eiseres] wordt, op de datum waarop zij haar AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, ontslag op eigen verzoek verleend. Door ondertekening van de onderhavige vaststellingsovereenkomst wordt zij geacht dat verzoek te hebben ingediend.”
Bij de uitleg van een ontslagovereenkomst zoals deze komt het niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [2]
Hetzelfde geldt voor wat eiseres over de e-mailcorrespondentie met verweerder heeft aangevoerd. Hoewel daaruit blijkt dat in de tussentijdse berekeningen van het door eiseres opgebouwde verlof en de laatste werkdag van eiseres, de einddatum [2022] is gebruikt, kan daaruit niet worden geconcludeerd dat partijen hebben beoogd de ontslagdatum vast te leggen op [2022]. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de vaststellingsovereenkomst geen uitdrukkelijke ontslagdatum is genoemd. Verder is in het email-bericht van 7 december 2018, [3] waar verweerder in het verweerschrift ook naar verwijst, het volgende vermeld:
Uit de inhoud van dit e-mailbericht blijkt evenmin dat partijen hebben beoogd een uitdrukkelijke ontslagdatum vast te leggen.