ECLI:NL:RBMNE:2021:1935
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde vrijstaande woning ongegrond verklaard
De zaak betreft een beroep van de eigenaar van een vrijstaande woning tegen de vastgestelde WOZ-waarde door de gemeente voor het belastingjaar 2019. De waarde was vastgesteld op €1.262.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018. De eigenaar stelde dat de waarde te hoog was en verwees naar vergelijkingsobjecten en de staat van de woning.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente met een taxatiematrix en een onderbouwd taxatieverslag aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De taxatiematrix maakt inzichtelijk hoe de waarde is bepaald door vergelijking met referentiewoningen, rekening houdend met verschillen in gebruiksoppervlakte en perceeloppervlakte.
De door eiser aangevoerde referentiewoningen zijn volgens de rechtbank minder geschikt vanwege afwijkend bouwjaar, type en staat. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de voorzieningen in de woning zodanig gedateerd zijn dat dit de waarde substantieel verlaagt. Daarnaast is de door eiser aangevoerde afwijking in kubieke meters van een referentiewoning niet voldoende om het beroep te doen slagen.
De rechtbank volgt de gemeente in haar standpunt dat de waarde correct is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 14 april 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.262.000,- wordt ongegrond verklaard.