ECLI:NL:RBMNE:2020:5269

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2020
Publicatiedatum
4 december 2020
Zaaknummer
UTR - 20 _ 2580
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wsf 2000Art. 3.27 Wsf 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van ov-schuld opgelegd wegens niet tijdig stopzetten studentenreisproduct

Bij besluit van 10 december 2019 legde de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan eiser een ov-schuld van €600 op over de periode 1 september tot en met 15 november 2019. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 3 juni 2020 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat eiser zich aanvankelijk wilde inschrijven aan de universiteit, maar dat dit misging aan de kant van de onderwijsinstelling. Eiser kreeg later nog de mogelijkheid zich in te schrijven, maar koos ervoor dit niet te doen omdat het te laat in het collegejaar was. Hierdoor stond eiser niet ingeschreven voor het studiejaar 2019-2020 en had hij geen recht op studiefinanciering en het studentenreisproduct vanaf 1 september 2019.

Eiser had het studentenreisproduct uiterlijk 10 september 2019 moeten stopzetten om een ov-schuld te voorkomen. Het gebruik van het studentenreisproduct in de periode september tot medio november 2019 was onbetwist. De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig stopzetten aan eiser kan worden toegerekend en dat de situatie met de inschrijving een kwestie is tussen student en onderwijsinstelling. De hardheidsclausule kon niet worden toegepast en de hoogte van de ov-schuld was terecht vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de ov-schuld van €600 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2580
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een ov-schuld opgelegd van € 600,- over de periode 1 september tot en met 15 november 2019. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 3 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2020 via Skype. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser is het niet eens met de oplegging van een ov-schuld van € 600,-. Eiser stelt dat de gevolgen voor hem niet in verhouding staan tot dat wat zich heeft voorgevallen bij zijn inschrijving aan de VU. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat eiser zich aanvankelijk wilde inschrijven, dat dat aan de kant van de universiteit is misgegaan, dat eiser toen nog het aanbod heeft gekregen om zich alsnog in te schrijven, maar dat het toen zodanig laat in het collegejaar was dat eiser er voor koos om zich niet alsnog in te schrijven. Eiser heeft voor het studiejaar 2019-2020 dus niet ingeschreven gestaan en ook geen collegegeld betaald.
3. Voor het recht op studiefinanciering is alleen van belang of er sprake is van een inschrijving voor een voltijdse opleiding in het hoger onderwijs. [1] De rechtbank stelt vast dat er vanaf 1 september 2019 geen recht op studiefinanciering bestond. Daarom had eiser vanaf 1 september 2019 ook geen recht op een studentenreisproduct. Eiser had het studentenreisproduct uiterlijk 10 september 2019 moeten stopzetten om een ov-schuld te voorkomen. [2] Dat eiser het studentenreisproduct niet heeft stopgezet en in de periode september tot medio november 2019 heeft gebruikt is niet in geschil.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct aan eiser kan worden toegerekend. De situatie rondom de inschrijving aan de universiteit, hoe vervelend dit voor eiser ook is geweest, is volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter een kwestie tussen student en onderwijsinstelling. [3] Dat eiser zich om hem moverende redenen niet alsnog heeft ingeschreven, komt voor zijn rekening en risico.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, in wat eiser heeft aangevoerd, geen reden hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Dat eiser het bedrag van € 600,- disproportioneel hoog vindt, is geen omstandigheid waar verweerder rekening mee kan houden. Voor een beoordeling van de evenredigheid van de ov-schuld bestaat geen ruimte. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. [4] De bedragen die verweerder hanteert zijn gelieerd aan de kosten die hij maakt voor het studentenreisproduct en daarom geldt voor iedereen hetzelfde bedrag. Al met al heeft verweerder de ov-schuld terecht opgelegd en de hoogte van de ov-schuld op de juiste manier berekend.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020 door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 2.8, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
2.Dat volgt uit artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000.
3.Zie hiervoor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2076.
4.Zie hiervoor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3643.