Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
kantonrechter
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde mr. J.C. Hesen,
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde mr. P.M.M. Massuger.
1.Het verloop van de procedure
27 oktober 2020 met 21 producties;
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het verweer en de voorwaardelijke tegenverzoeken
5.De beoordeling
25 september 2019 herhaaldelijk te laat is gekomen en dat hij daar door [verweerster] op is aangesproken. Ook in het verslag van het gesprek tussen partijen op 23 juni 2020, dat, als onweersproken, ontvangen is door [verzoeker] , wordt gerefereerd aan het veelvuldig verslapen door [verzoeker] . Uit dit verslag blijkt dat is gesproken over de mogelijke arbeidsrechtelijke consequenties voor [verzoeker] wegens het verslapen c.q. te laat komen op het werk. Ook op 30 juli 2020 is aan [verzoeker] duidelijk gemaakt dat [verweerster] overwoog om arbeidsrechtelijke consequenties te verbinden aan zijn gedrag. In dit geval heeft [verweerster] op de zitting verklaard dat, ook zonder bijkomende omstandigheden, het veelvuldig te laat komen door [verzoeker] de grondslag vormt voor het ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft erkend dat hij zich realiseerde dat mogelijk consequenties konden worden verbonden aan zijn gedrag door op de zitting onder meer te verklaren dat hij eerder had verwacht te worden geschorst. De kantonrechter oordeelt dan ook dat, ook al zou sprake zijn van de bijkomende zaken zoals deze zijn opgenomen in de ontslagbrief, voor [verzoeker] duidelijk moet zijn geweest dat hij is ontslagen vanwege het feit dat hij veelvuldig te laat op zijn werk is verschenen. Dat tussen partijen geen gesprek meer heeft plaatsgevonden, maakt dit, op grond van het voorgaande, niet anders.