Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het CIZ, verweerder
Inleiding en procesverloop
Overwegingen
Op de zitting heeft de gemachtigde van het CIZ in dit verband toegelicht dat de datum zoals die in het systeem staat, de printdatum van het poststuk is. Het geprinte poststuk komt vervolgens direct op een stapel bij de administratie terecht waarna het poststuk op dezelfde dag wordt verzonden. Van de daadwerkelijke verzending wordt geen administratie bijgehouden, aldus het CIZ.
Daarmee ligt in het onderhavige geval de vraag voor of sprake is van contra-indicaties als onder 3.2. bedoeld. De rechtbank stelt vast dat van dergelijke contra-indicaties niet is gebleken. Uit niets blijkt dat de toenmalig gemachtigde van eiseres het bestreden besluit omstreeks 30 januari 2020 heeft ontvangen. Hieruit volgt dat de verzending van het bestreden besluit op 30 januari 2020 niet aannemelijk is geworden. Daaruit vloeit voort dat niet kan worden vastgesteld dat het op 13 maart 2020 ingediende beroepschrift te laat is ingediend. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het beroep tijdig is ingediend en dus ontvankelijk is.
Gelet op het voorgaande slagen de onder 10. vermelde beroepsgronden van eiseres dus niet.
Gelet op het voorgaande kan de onder 13. vermelde beroepsgrond niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.