ECLI:NL:RBMNE:2020:2991
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aflossing belastingschuld wegens ontbreken dringende redenen
Eiseres ontvangt sinds februari 2019 bijstand als alleenstaande ouder. Op 9 december 2019 vroeg zij bijzondere bijstand aan voor de aflossing van een belastingschuld van €5.422,-. Het Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (WIL) wees deze aanvraag op 12 december 2019 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 13 januari 2020. Eiseres ging in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het beroep op 6 juli 2020 via een Skype-verbinding. Volgens artikel 13 lid 1 sub g van Pro de Participatiewet bestaat geen recht op bijstand voor het aflossen van schulden indien de aanvrager op het moment van het ontstaan van de schuld of daarna over middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit was in deze zaak niet betwist.
Er kan in afwijking hiervan bijzondere bijstand worden verleend bij zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 49 lid 1 sub b van Pro de Participatiewet. De rechtbank oordeelde dat eiseres geen acute noodsituatie kon aantonen, zoals een levensbedreigende situatie of blijvend ernstig letsel. Het feit dat zij de schuld niet kan aflossen met haar bijstandsuitkering en vier kinderen, is onvoldoende. Ook de regeling met de woningbouwvereniging en het bestaan van een beslagvrije voet spreken tegen een dringende reden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van WIL. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De rechtbank wees erop dat zij niet kan oordelen over een betalingsregeling met de Belastingdienst, omdat deze niet partij is in de procedure. Eiseres kan zich hiervoor rechtstreeks tot de Belastingdienst wenden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor aflossing van de belastingschuld wordt ongegrond verklaard.