ECLI:NL:RBMNE:2020:1948
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking bijstand wegens overschrijding vermogensgrens na ontvangst smartengeld
Eiser ontving een bedrag van €17.500 aan smartengeld na een ongeval. Verweerder trok daarop het recht op bijstand in vanaf 14 februari 2019 omdat het ontvangen bedrag het toegestane vermogen overschreed. Verweerder liet een bedrag van €5.000 van het smartengeld vrij, bovenop de algemene vermogensvrijlating, en stelde het teveel ontvangen bedrag vast op €6.632,40.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn beperkte arbeidsvermogen en belastend medisch traject, en dat het gehele smartengeldbedrag vrijgelaten moest worden. De rechtbank oordeelde dat smartengeld bedoeld is ter compensatie van immateriële schade en niet om gemist inkomen te compenseren, en dat verweerder geen aanleiding had om van het beleid af te wijken.
Verder stelde de rechtbank vast dat de berekening van het vrij te laten vermogen correct was en dat de intrekking van de bijstand op goede gronden was gebaseerd. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van de bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens na ontvangst van smartengeld wordt ongegrond verklaard.