ECLI:NL:RBMNE:2019:6651

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 november 2019
Publicatiedatum
31 augustus 2020
Zaaknummer
UTR 19 /1239
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en schorsing van pensioenuitkering op basis van leefsituatie

In deze zaak gaat het om de schorsing en herziening van het pensioen van eiser, die sinds mei 2001 een pensioen ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet. Eiser is getrouwd met mevrouw [echtgenote], die in Zwitserland woont. De Sociale Verzekeringsbank heeft vastgesteld dat eiser en zijn echtgenote geen gezamenlijke huishouding vormen, waardoor eiser een pensioen naar de norm van een alleenstaande ontvangt. In 2018 heeft de bank echter een onderzoek ingesteld naar de leefsituatie van eiser, wat leidde tot een schorsing van zijn pensioen per 1 december 2018. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze schorsing en de daaropvolgende herziening van zijn pensioen naar de norm van een gehuwde. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bank bevoegd was om het onderzoek uit te voeren en dat de schorsing van het pensioen terecht was. Eiser heeft geen recht op een uitkering naar de norm van een alleenstaande, omdat hij en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leven. De rechtbank heeft de beroepen van eiser in beide zaken ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gedaan op 19 november 2019.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 19/1239 en UTR 19/1889

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2019 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.J.A. Vis),
en

Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Herder).

Inleiding en procesverloop

Eiser ontvangt sinds mei 2001 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (het pensioen). Hij is op [2001] getrouwd met mevrouw [echtgenote] ( [echtgenote] ). Eiser heeft dit gemeld bij verweerder. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser en [echtgenote] geen gezamenlijke huishouding vormden: eiser woont in Nederland en [echtgenote] in Zwitserland. In verband met deze situatie heeft eiser steeds een pensioen naar de norm van een alleenstaande ontvangen. In 2018 heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de leefsituatie van eiser. In dat kader heeft verweerder aangekondigd dat hij op 28 november 2018 een huisbezoek bij eiser wilde afleggen. Eiser was op die datum evenwel niet thuis. Verweerder heeft een brief achtergelaten met het verzoek aan eiser om uiterlijk 5 december 2018 contact op te nemen. Eiser heeft dit niet gedaan.
Dit is voor verweerder aanleiding geweest om bij besluit van 14 december 2018 het pensioen van eiser met ingang van 1 december 2018 te schorsen tot de hoogte van een pensioen voor een gehuwde. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze procedure heeft zaaknummer UTR 19/1239.
Bij besluit van 5 april 2019 heeft verweerder het pensioen van eiser met ingang van
1 december 2018 aangepast naar een pensioen voor een gehuwde. Eiser heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verweerder verzocht in te stemmen met direct beroep. Verweerder heeft dit gedaan en heeft het bezwaar doorgestuurd naar de rechtbank ter behandeling als beroep. Deze procedure heeft zaaknummer UTR 19/1889.
Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Zaaknummer UTR 19/1239: de schorsing van het pensioen per 1 december 2018
1. Doordat geen huisbezoek heeft plaatsgevonden, heeft er volgens verweerder onduidelijkheid bestaan over de leefsituatie van eiser. Om die reden heeft verweerder onderzocht of eiser nog steeds recht had op een uitkering naar de norm van een alleenstaande of dat zijn recht zich beperkte tot een uitkering naar de (lagere) norm van een gehuwde. Lopende dit onderzoek heeft verweerder het pensioen geschorst voor zover dit het bedrag naar de norm van een gehuwde te boven ging.
2. Eiser betwist het besluit tot gedeeltelijke schorsing van zijn pensioenuitkering.
Hij heeft aangevoerd dat verweerder zijn leefsituatie in 2001 al had onderzocht en dat er geen aanleiding was om zijn situatie opnieuw te onderzoeken. In de omstandigheid dat verweerder in 2018 twijfelde aan de juistheid en de volledigheid van het onderzoek dat al in 2001 was gedaan, heeft volgens eiser geen deugdelijke grondslag gelegen om tot schorsing van zijn pensioen over te gaan.
Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder geen redelijke grond had om een huisbezoek af te leggen en dat dit huisbezoek verder ook op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat hij op 28 november 2018 niet thuis was, heeft ook geen grondslag kunnen zijn om tot schorsing van zijn pensioen te komen. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat in de brief waarin het voorgenomen huisbezoek was aangekondigd, was vermeld dat het niet verlenen van toestemming geen directe gevolgen zou hebben voor het recht op pensioen. Als dit al zo is, dan is het volgens eiser onjuist dat zijn afwezigheid op 28 november 2018 tot schorsing van zijn pensioen heeft geleid.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft de bevoegdheid om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van pensioenuitkeringen. Verweerder hoeft geen specifieke aanleiding te hebben om zo’n onderzoek te verrichten. Dat in het geval van eiser in 2001 een onderzoek naar zijn leefsituatie is gedaan, betekent dus niet dat verweerder in 2018 niet weer een dergelijk onderzoek heeft mogen doen. In zoverre faalt de beroepsgrond van eiser dus. Overigens heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de aanleiding voor het onderzoek in 2018 niet was gelegen in de veronderstelling dat het onderzoek in 2001 onjuist of onvolledig zou zijn geweest.
4. De stelling van eiser dat er geen redelijke grond is geweest voor het huisbezoek van
28 november 2018 en dat dit huisbezoek op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden, snijdt geen hout. Er heeft namelijk feitelijk geen huisbezoek plaatsgevonden. Verweerder heeft op die datum met de huisbaas van eiser gesproken. Deze persoon heeft verklaard dat eiser op dat moment in Zwitserland bij zijn echtgenote verbleef, dat eiser soms voor één of twee weken in Nederland was en dat hij niet wist wanneer eiser weer terug zou zijn in Nederland. Dit gesprek is niet gelijk te stellen aan het verrichten van een huisbezoek. Dit al niet, omdat de woning van eiser niet is betreden. De stelling van eiser dat dit gesprek in feite een ingrijpender middel is geweest dan een huisbezoek, volgt de rechtbank niet. Het gesprek voldoet daarbij aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder heeft mogen uitgaan van de strekking van de verklaringen van de huisbaas, voor zover die erop neerkomt dat eiser regelmatig bij zijn echtgenote in Zwitserland verblijft. Dit strookt namelijk met de eigen verklaring van eiser. Aan dit alles doet niet af dat de persoon in kwestie volgens eiser niet de huisbaas, maar “slechts” een medebewoner zou zijn geweest. Het is ook niet van belang dat deze persoon op 28 november 2018 volgens eiser ten onrechte had verklaard dat eiser zich in Zwitserland bevond. Ook deze beroepsgrond faalt derhalve.
5. Uit de alinea’s 3 en 4 vloeit voort dat het beroep van eiser ongegrond is. Naar het
oordeel van de rechtbank heeft verweerder het pensioen van eiser terecht geschorst met ingang van 1 december 2018. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Zaaknummer UTR 19/1889: de herziening van het pensioen per 1 december 2018
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser en [echtgenote] niet duurzaam gescheiden leven. Als gevolg hiervan heeft verweerder het pensioen van eiser met ingang van 1 december 2018 herzien naar de norm van een gehuwde. Verweerder meent dat hij de leefsituatie van eiser in het verleden onvoldoende heeft onderzocht. Om die reden laat verweerder de pensioenuitkering van vóór 1 december 2018 ongemoeid.
7. Eiser heeft dit besluit betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij verweerder in 2001 tijdig in kennis heeft gesteld van zijn huwelijk en zijn leefsituatie. Op basis hiervan en van nader onderzoek dat verweerder toen heeft verricht, is zijn pensioenuitkering toen uiteindelijk vastgesteld naar de norm van een alleenstaande. Eiser heeft aangevoerd dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat deze vaststelling juist was en dat de norm niet meer veranderd zou worden. Er heeft zich volgens eiser ook geen verandering in zijn leefsituatie voorgedaan.
Ter zitting heeft eiser subsidiair aangevoerd dat verweerder het pensioen, bij wijze van overgangsmaatregel, had moeten herzien met ingang van 1 maart 2019. Eiser had zich dan kunnen instellen op de achteruitgang van zijn inkomen.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. Het onderzoek van verweerder heeft terecht uitgewezen dat eiser en [echtgenote] niet duurzaam gescheiden leven. Dat betekent dat eiser ten onrechte een pensioenuitkering naar de norm van een alleenstaande heeft ontvangen. Dit gegeven heeft verweerder er wettelijk toe verplicht om het pensioen van eiser te herzien. Het besluit om dit te doen, heeft verweerder dan ook terecht genomen. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat aan een onjuiste besluitvorming uit het verleden niet een rechtens te honoreren vertrouwen kan worden ontleend dat een bestuursorgaan in de toekomst bij die onjuiste besluitvorming volhardt. [1] Hieraan doet in het geval van eiser niet af dat in het besluit van 19 september 2001, waarbij zijn uitkering is toegekend naar de norm van een alleenstaande, is vermeld dat het pensioen definitief is vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat verweerder het pensioen van eiser uitsluitend naar de toekomst heeft herzien. Verweerder heeft aldus niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen wettelijke mogelijkheid heeft gehad om de herziening van de pensioenuitkering van eiser te laten ingaan op een latere datum dan 1 december 2018. Hetgeen eiser subsidiair heeft aangevoerd, kan hem dus niet baten.
10. Uit de alinea’s 8 en 9 volgt dat het beroep van eiser ongegrond is. Verweerder heeft het pensioen van eiser terecht per 1 december 2018 herzien naar de norm van een gehuwde. Voor een proceskostenveroordeling of toekenning van schadevergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart de beroepen in beide zaken ongegrond;
-wijst af het verzoek tot schadevergoeding in de zaak met nummer UTR 19/1889.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie in dit verband onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 28 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2469, en van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3880 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2015:3880).