ECLI:NL:RBMNE:2017:6858

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 mei 2017
Publicatiedatum
5 april 2018
Zaaknummer
C/16/351525 / HA ZA 13-654
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot openstelling tussentijds hoger beroep in civiele procedure

In deze civiele procedure tussen Bâloise Assurance S.A. als eiseres en Prorail B.V., de curator van Spoorflex Safety First BV en BAM Rail BV als gedaagden, heeft BAM verzocht om tussentijds hoger beroep toe te staan tegen het tussenvonnis van 22 maart 2017.

De rechtbank heeft de overige partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. BAM wilde dat de rechtbank in hoger beroep opnieuw zou beoordelen of de omstandigheden van het geval de kwalificatie “grobe Fahrlässigkeit” rechtvaardigen. De rechtbank overwoog dat dit geen controversiële rechtsvraag betreft die tussentijds hoger beroep rechtvaardigt.

Volgens artikel 337 Rv Pro is het uitgangspunt dat van een tussenvonnis geen hoger beroep openstaat, tenzij de rechter anders bepaalt. De Hoge Raad heeft aangegeven dat tussentijds hoger beroep slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegestaan, bijvoorbeeld bij controversiële rechtsvragen die de verdere procedure aanzienlijk kunnen beïnvloeden.

De rechtbank oordeelde dat de kwestie van grove nalatigheid niet zodanig is en dat de schadebepaling via aktes zal plaatsvinden, waardoor de procedure niet onnodig wordt verlengd. Daarom werd het verzoek van BAM afgewezen en het tussentijds hoger beroep niet toegestaan.

Uitkomst: Het verzoek tot openstelling van tussentijds hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/351525 / HA ZA 13-654
Vonnis van 31 mei 2017
in de zaak van
de vennootschap naar Zwitsers recht
BÂLOISE ASSURANCE S.A.,
gevestigd te Bazel, Zwitserland
eiseres,
advocaat mr. G.C.G. Metz te 's-Gravenhage,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PRORAIL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

2 MR. J.P.M. BORSBOOM,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Spoorflex Safety First BV,
kantoorhoudende te Barendrecht,
gedaagde,
advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAM RAIL BV,
statutair gevestigd te Bunnik,
gedaagde,
advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam
Partijen zullen hierna Bâloise, Prorail, (de curator van) Spoorflex en BAM genoemd worden.

1.Het verzoek om alsnog hoger beroep toe te staan

1.1.
Bij brief van 26 april 2017 heeft mr. De Haan namens BAM de rechtbank verzocht om alsnog hoger beroep toe te staan van het vonnis van 22 maart 2017.
1.2.
De rechtbank heeft de overige partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.
1.3.
Bij rolberichten van 5 en 11 mei 2017 hebben Prorail en de curator van Spoorflex zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Bij brief van 10 mei 2017 heeft Bâloise kenbaar gemaakt tegen inwilliging van het verzoek bezwaar te hebben.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
2.2.
Op grond van artikel 337 Rv Pro is - om redenen van doelmatigheid - uitgangspunt dat van een tussenvonnis geen hoger beroep openstaat, tenzij de rechter anders bepaalt. Volgens de Hoge Raad kan de rechter alsnog hoger beroep van een tussenvonnis toestaan, indien bijvoorbeeld in de tussenuitspraak is beslist op een controversiële rechtsvraag, hetgeen doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, omdat een andere beslissing tot een aanzienlijke bekorting van de procedure zou hebben geleid, of omdat de behandeling van samenhangende zaken anders uiteen dreigt te lopen (HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AL7051).
2.3.
Van dergelijke of soortgelijke omstandigheden is in dit geval geen sprake. De vraag die BAM in hoger beroep opnieuw beoordeeld zou willen zien, betreft geen controversiële rechtsvraag, maar de vraag of de omstandigheden van het geval de kwalificatie “grobe Fahrlässigkeit” rechtvaardigen. Een ander oordeel over die vraag in hoger beroep kan weliswaar de schadediscussie onnodig maken, maar dat maakt deze zaak geen uitzonderlijk geval dat het openstellen van tussentijds hoger beroep noodzakelijk maakt. De bepaling van de schade zal plaatsvinden via aktes, en zal dus naar verwachting niet tot een aanzienlijke verlenging van de procedure of hoge kosten leiden.

3.De beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, mr. J.K.J. van den Boom en mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2017. [1]

Voetnoten

1.type: WV (4208)