Uitspraak
- de dagvaarding van 17 augustus 2015,
- het vonnis van 16 september 2015, waarin is bevolen de zaak voort te zetten volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,
- het verweerschrift,
- de mondelinge behandeling.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak gaat het om de uitleg van artikel 38, vierde lid, van de Wet op de Rechtsbijstand (WTBZ) betreffende de procedure voor het vaststellen van de eigen bijdrage die een rechtzoekende verschuldigd is aan de rechtsbijstandverlener na 1 januari 2015. De verzoeker heeft een procedure bij dagvaarding ingeleid om een titel te verkrijgen voor de executie van een vordering tot betaling van de eigen bijdrage en griffierechten.
De kantonrechter verwees de zaak naar de verzoekschriftenprocedure, waarna de president van de rechtbank een mondelinge behandeling hield. Er bestaat onduidelijkheid en verschil van mening in het land over de vraag of de president van de rechtbank op grond van artikel 38 lid 4 WTBZ Pro bevoegd is om een voor executie vatbare beschikking te geven in deze zaken, aangezien de eerdere regeling met bevelschriften is vervallen.
De president merkt op dat het om veel zaken gaat met relatief kleine bedragen en dat een duurdere dagvaardingsprocedure onwenselijk is. Daarom wordt de Hoge Raad gevraagd om prejudiciële beslissing over de uitleg van artikel 38 lid 4 WTBZ Pro en de toepasselijke procedure. Partijen stemden tijdens de mondelinge behandeling in met deze gang van zaken.
De president stelt de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissing aan. De beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, plaatsvervangend president, op 10 februari 2016.
Uitkomst: De president legt prejudiciële vraag voor aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissing aan.