ECLI:NL:RBMNE:2016:669

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2016
Publicatiedatum
11 februari 2016
Zaaknummer
C/16/403535 / KG RK 15-1015
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 WTBZArt. 66 WTBZArt. 34 WTBZArt. 35 WTBZArt. 36 WTBZ
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële vraag over procedure eigen bijdrage na 1 januari 2015 in Wet op de Rechtsbijstand

In deze zaak gaat het om de uitleg van artikel 38, vierde lid, van de Wet op de Rechtsbijstand (WTBZ) betreffende de procedure voor het vaststellen van de eigen bijdrage die een rechtzoekende verschuldigd is aan de rechtsbijstandverlener na 1 januari 2015. De verzoeker heeft een procedure bij dagvaarding ingeleid om een titel te verkrijgen voor de executie van een vordering tot betaling van de eigen bijdrage en griffierechten.

De kantonrechter verwees de zaak naar de verzoekschriftenprocedure, waarna de president van de rechtbank een mondelinge behandeling hield. Er bestaat onduidelijkheid en verschil van mening in het land over de vraag of de president van de rechtbank op grond van artikel 38 lid 4 WTBZ Pro bevoegd is om een voor executie vatbare beschikking te geven in deze zaken, aangezien de eerdere regeling met bevelschriften is vervallen.

De president merkt op dat het om veel zaken gaat met relatief kleine bedragen en dat een duurdere dagvaardingsprocedure onwenselijk is. Daarom wordt de Hoge Raad gevraagd om prejudiciële beslissing over de uitleg van artikel 38 lid 4 WTBZ Pro en de toepasselijke procedure. Partijen stemden tijdens de mondelinge behandeling in met deze gang van zaken.

De president stelt de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissing aan. De beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, plaatsvervangend president, op 10 februari 2016.

Uitkomst: De president legt prejudiciële vraag voor aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/16/403535 / KG RK 15-1015
Tussenbeschikking van de president van 10 februari 2016
in de zaak van
[verzoeker] , h.o.d.n. @ [naam],
kantoorhoudende aan het [adres] ,
te [vestigingsplaats] ,
verzoeker,
tegen
[verweerster],
wonende aan de [adres] ,
te [woonplaats] ,
verweerster.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 17 augustus 2015,
  • het vonnis van 16 september 2015, waarin is bevolen de zaak voort te zetten volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,
  • het verweerschrift,
  • de mondelinge behandeling.
2. De overwegingen
2.1. Het gaat in deze zaak om een procedure op grond van artikel 38 lid 4 Wet Pro op de Rechtsbijstand, welke strekt tot vaststelling van het bedrag dat rechtzoekende, verweerster, verschuldigd is aan verzoeker.
2.2. Artikel 38, vierde lid Wet op de rechtsbijstand luidt thans als volgt:
“Indien de rechtzoekende weigerachtig blijft de door hem aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde bijdrage en vergoeding voor de kosten te voldoen, wordt het bedrag nader vastgesteld door de president van de rechtbank waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd.”
2.3. Deze regeling geldt op grond van artikel 66, tweede lid Wet op de Rechtsbijstand voor toevoegingen, die na 1 januari 2015 zijn afgegeven.
2.4. Voor toevoegingen afgegeven voor die datum werd na een verzoek door de president van de rechtbank een bevelschrift afgegeven overeenkomstig de inmiddels vervallen regeling van de artikelen 34 tot en met 40 van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (vergelijk ook artikel IV Wet positie en toezicht advocatuur).
2.5. In de onderhavige procedure heeft verzoeker een procedure bij dagvaarding ingeleid, teneinde een titel te krijgen tegen verweerder ter executie van de vordering strekkende tot betaling van de na 1 januari 2015 opgelegde eigen bijdrage en de voorgeschoten griffierechten tot een bedrag van in hoofdsom € 273,00.
2.6. De kantonrechter heeft deze zaak op de voet van 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de zaak verwezen naar de verzoekschriftenprocedure en daarna heeft de president een mondelinge behandeling gehouden.
2.7. De wetgever heeft bij de wijziging van de Wet Tarieven Burgerlijke Zaken geen kenbare aandacht besteed aan de omstandigheid dat de speciale rechtsgang voor rechtsbijstandverleners in zogenoemde toevoegingsprocedures is komen te vervallen.
2.8. De president ziet zich thans voor de vraag gesteld of artikel 38, vierde lid Wet op de rechtsbijstand zo moet worden uitgelegd dat rechtsbijstandsverleners zich nog steeds met het verzoek tot het afgeven van een bevelschrift (in wezen een beschikking uitgegeven in executoriale vorm) tot de president kunnen wenden en dat die procedure daarna conform de derde titel, eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden afgedaan.
2.9. In den lande bestaat hier verschil van mening over.
Sommige rechtbanken sturen dergelijke verzoeken terug met de toelichting dat er thans geen procedure meer voor bestaat, andere rechtbanken verklaren verzoekers niet ontvankelijk.
2.10. Het gaat om grote aantallen zaken.
Voor de rechtbank midden Nederland, locatie Utrecht tussen de tien en twintig zaken per maand.
Tegelijkertijd gaat het om relatief kleine bedragen.
Daarom zal deze vraag Uw raad niet snel via de “gewone” weg worden voorgelegd, terwijl er wel een grote behoefte is aan rechtseenheid op dit punt.
2.11. Daarbij acht de president het wenselijk om Uw Raad er op te wijzen dat niemand gebaat is om deze zaken via de relatief zeer dure en meer omslachtige weg van de dagvaardingsprocedure af te doen.
Noch de Sociale advocatuur noch degene die geprocedeerd hebben met een toevoeging zitten te wachten op een dergelijke kostenverhogende factor bij het afdoen van hun geschil.
2.12. De president verstout zich Uw Raad in herinnering te brengen dat Uw Raad de rechtspraktijk eerder te hulp is geschoten in uw arrest van 19 december 2014 , NJ 2015, 231 ECLI:HR:2014:3677, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er enige rek zit in het in beginsel gesloten systeem van artikel 261 Rv Pro, bij voorbeeld omdat de procedure van artikel 38, vierde lid Wet op de Rechtsbijstand zou kunnen worden geschaard onder de zaken waarin de president weliswaar op verzoek maar toch ambtshalve een beschikking geeft.
2.13. Kort samengevat legt de president aan de Hoge Raad de volgende vraag voor:
Moet artikel 38, vierde lid van de Wet op de Rechtsbijstand zo worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoek tot de president van de rechtbank kan wenden en de president deze zaak kan afdoen in de vorm van een voor executie vatbare beschikking.
2.14. Tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2016 hebben partijen uitdrukkelijk ingestemd met deze gang van zaken, nadat zij de door de president opgestelde conceptbeschikking hebben gelezen.
3. Beslissing
De president:
3.1. stelt de Hoge Raad de volgende rechtsvragen, ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:
Moet artikel 38, vierde lid van de Wet op de Rechtsbijstand zo worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daar van zich bij verzoek tot de president van de rechtbank kan wenden en de president deze zaak kan afdoen in de vorm van een voor executie vatbaar verzoekschrift.
3.2. houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, plaatsvervangend president, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.