Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 november 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster
Procesverloop
Overwegingen
Onafhankelijkheid, onpartijdigheid en deskundigheid van de door verweerster ingeschakelde deskundige
): 1. de aard van de aan de deskundige opgedragen taak, 2. de positie van de deskundige in de hiërarchie tot het betrokken bestuursorgaan en 3. de rol van de deskundige in de procedure, in het bijzonder de zwaarte die aan het deskundigenoordeel door de rechter wordt toegekend. Het EHRM laat in deze en andere zaken zien dat geen van deze drie factoren doorslaggevend is; het gaat om het gehele beeld van deze drie factoren, eventueel tezamen met bijkomende bijzonderheden. In de zaak Korošec tegen Slovenië acht het EHRM het beginsel van “equality of arms” geschonden. Het EHRM acht in dit verband met name van belang dat de rechter zijn beslissing heeft gebaseerd op oordelen van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundigen en dat Korošec niet in de gelegenheid is gesteld die oordelen te weerspreken, omdat de bestuursrechters in die procedure het verzoek weigerden zelf een onafhankelijke deskundige te benoemen. Hierdoor was Korošec niet in een vergelijkbare positie, aldus het EHRM. Uit het arrest van het EHRM van 10 december 2015 (zaaknummer 26275/12, Spycher tegen Zwitserland) volgt verder dat relevant is of betrokkene concrete gronden aanvoert op basis waarvan moet worden getwijfeld aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van het adviesorgaan. Dat betrokkene klaagt over de keuze voor het in dat geval ingeschakelde onderzoeksinstituut is onvoldoende om strijd met “equality of arms” aan te nemen. In die zaak is uiteindelijk geen schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM aangenomen. In het arrest van 3 mei 2016 (zaaknummer 7183/11, Letinčić tegen Kroatië) is het EHRM verder ingegaan op de positie van door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundigen in de procedure en de vraag of de betrokkene voldoende in staat is gesteld deel te nemen aan het proces van totstandkoming van het deskundigenrapport. Het EHRM oordeelde dat het enkele feit dat een deskundige wordt bekostigd door het bestuursorgaan onvoldoende zwaarwegend is voor het oordeel dat de deskundigen onvoldoende neutraal en professioneel waren in hun oordeel. Maar vanwege de dominante rol die de wet aan de deskundigen in die laatste zaak geeft, is het rapport wel van doorslaggevende betekenis geweest in de procedure. Omdat de betrokkene niet in staat is gesteld deel te nemen aan het proces van totstandkoming van het rapport en er door de rechters geen kenbare aandacht is besteed aan de concrete klachten over het rapport, is er onvoldoende gedaan om de procedurele tekortkomingen te repareren. In dit arrest stelt het EHRM de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige die uiteindelijk door de rechter wordt gevolgd in feite gelijk aan de door de rechter zelf ingeschakelde deskundige. Daarom gelden de eisen die aan zo'n rechterlijke deskundige moeten worden gesteld (arrest van het EHRM van 18 maart 1997, zaaknummer 21497/93, Mantovanelli tegen Frankrijk) ook voor de deskundige van het bestuursorgaan. Ook de procedure bij die door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige moet daarom voldoen aan de eisen van artikel 6 van Pro het EVRM, die er in dit verband kort gezegd op neerkomen dat betrokkene voldoende moet zijn betrokken bij de totstandkoming van het deskundigenrapport, de conceptversie daarvan moet kunnen voorzien van commentaar en inzage moet krijgen in de daaraan ten grondslag liggende stukken. Zoals steeds beziet het EHRM bij zijn controle of artikel 6 van Pro het EVRM is geschonden de procedure als geheel: tekortkomingen in de ene fase kunnen worden gerepareerd in de volgende fase.
“a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;
b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.”
aanwijzingis voor een voorafgaande periode van overmatig alcoholgebruik. Omdat het gaat om een aanwijzing, is het juist dat de deskundige uitgaat van wat in de regel het geval is. Om aan te nemen dat bij eiser de regel niet van toepassing zou zijn, moet meer aan informatie en zo mogelijk bewijs voor handen zijn van eisers specifieke gesteldheid waaruit blijkt dat de regel bij hem niet opgaat.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.240,-.