ECLI:NL:RBMNE:2015:9660

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2015
Publicatiedatum
6 april 2016
Zaaknummer
4498796 UE VERZ 15-500 MAR/1217
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van werkgever bij arbeidsongeval door val op de werkvloer

In deze beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 23 december 2015, wordt een deelgeschil behandeld inzake een arbeidsongeval waarbij de verzoekster, werkzaam in een ziekenhuis, op 23 juli 2010 ten val kwam bij de balie van de polikliniek orthopedie. De verzoekster, vertegenwoordigd door mr. I.L. Ortelee, stelt dat het ziekenhuis en de aansprakelijkheidsverzekeraar Centramed aansprakelijk zijn voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van deze val. De verzoekster verzoekt de kantonrechter om vast te stellen dat het ziekenhuis aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW, artikel 6:174 BW en artikel 6:162 BW van het Burgerlijk Wetboek. De kantonrechter behandelt de procedure, die begon met een verzoekschrift op 6 oktober 2015, en de daaropvolgende verweerschriften en mondelinge behandeling. De kern van het geschil draait om de vraag of het ziekenhuis zijn zorgplicht heeft geschonden en of de val van de verzoekster het gevolg is van een gebrekkige opstal of onrechtmatig handelen.

De kantonrechter concludeert dat de exacte toedracht van het ongeval niet vaststaat en dat het ziekenhuis niet kan worden aangemerkt als aansprakelijk op basis van de aangevoerde artikelen. De verzoekster heeft niet kunnen aantonen dat er sprake was van een lekkage of dat het ziekenhuis zijn zorgplicht heeft geschonden. De kantonrechter wijst het verzoek van de verzoekster af, maar begroot de kosten van de procedure op € 3.800,00, te vermeerderen met het griffierecht van € 78,00. De beschikking is openbaar uitgesproken door mr. J.P. Killian, met mr. M.A. Rademaker als griffier.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 4498796 UE VERZ 15-500 MAR/1217
Beschikking van 23 december 2015
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. I.L. Ortelee
tegen
1. de stichting
STICHTING DIAKONESSENHUIS,
gevestigd te Utrecht,
2. de onderlinge waarborgmaatschappij
CENTRAMED B.A.,
gevestigd te Voorburg,
verweersters,
gemachtigde: mr. H. van Katwijk.
Partijen worden hierna [verzoekster] , het ziekenhuis en Centramed genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift inzake deelgeschil letselschade, ter griffie ingekomen op 6 oktober 2015;
- het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 9 november 2015;
- de mondelinge behandeling op 16 november 2015, waarvan aantekening is gehouden;
- de pleitaantekeningen van mr. Ortelee;
- een foto van de balie van de polikliniek orthopedie, overgelegd door mr. Van Katwijk.
1.2.
Na een aanhouding van drie weken voor onderling overleg tussen partijen is vervolgens uitspraak bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] was in dienst van het ziekenhuis, locatie [locatie] , op de verpleegafdeling dagbehandeling. Vanaf 22 juli 2010 viel [verzoekster] in bij de polikliniek orthopedie van het ziekenhuis.
2.2.
Op 23 juli 2010 is [verzoekster] uitgegleden en gevallen bij de balie van de polikliniek.
2.3.
Centramed is de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis.
2.4.
Op 25 februari 2011 heeft [verzoekster] het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt als gevolg van de val.
2.5.
Op 5 februari 2012 heeft Centramed, zonder aansprakelijkheid te erkennen, een voorschot van € 2.500,00 betaald aan [verzoekster] .
2.6.
In de periode daarna zijn over en weer diverse voorstellen gedaan, maar partijen hebben geen overeenstemming bereikt.

3.Het deelgeschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het ziekenhuis en Centramed aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoekster] in de uitoefening van haar werkzaamheden is overkomen op 23 juli 2010 en waaraan zij blijvend lichamelijk letsel heeft overgehouden. Daarnaast verzoekt [verzoekster] de kantonrechter de kosten van dit deelgeschil te begroten op € 3.800,00 exclusief btw en griffierecht en het ziekenhuis en Centramed te veroordelen tot betaling van deze kosten.
3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoekster] het volgende ten grondslag. Tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden is [verzoekster] uitgegleden over een plas water die voor de balie van de polikliniek op de vloer lag. Door dit ongeval heeft [verzoekster] schade geleden. Op grond van artikel 7:658 BW is het ziekenhuis daarvoor als werkgever aansprakelijk. Het ziekenhuis heeft volgens [verzoekster] de zorgplicht die ingevolge artikel 7:658 BW op haar rust geschonden omdat de leidingen kennelijk onvoldoende zijn onderhouden waardoor een lekkage in het plafond kon ontstaan met water op de werkvloer tot gevolg.
Het ziekenhuis is ook aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW, omdat de opstal op 23 juni 2010 niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed. Tot slot baseert [verzoekster] haar verzoek eveneens op artikel 6:162 BW.
3.3.
Het ziekenhuis en Centramed voeren gemotiveerd verweer. Volgens het ziekenhuis heeft zij in voldoende mate voldaan aan de zorgverplichtingen, zodat geen sprake is van aansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW. Evenmin is sprake van een gebrekkige opstal, dat is in ieder geval niet komen vast te staan, op grond waarvan het ziekenhuis aansprakelijk is.
3.4.
De kantonrechter zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4.Beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] op 23 juli 2010 tijdens haar werk ten val is gekomen en dat daarbij letsel is ontstaan. Partijen verschillen van mening over de vraag of het ziekenhuis aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden schade als gevolg van het ongeval.
4.2.
De vraag die daarmee dus beantwoord moet worden is of het ziekenhuis op grond van artikel 7:658 BW, artikel 6:174 BW of artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor (de schade als gevolg van) de val van [verzoekster] .
4.3.
[verzoekster] heeft haar vordering naar de kantonrechter begrijpt primair gebaseerd op artikel 7:658 BW. De vraag die in dat kader beantwoord moet worden is of sprake is van aansprakelijkheid van het ziekenhuis vanwege de omstandigheid dat zij niet aan de ingevolge artikel 7:658 BW op haar rustende zorgplicht heeft voldaan en of het ziekenhuis (en daarmee Centramed op de voet van artikel 7:954 BW) gehouden is tot schadevergoeding.
4.4.
De kantonrechter stelt het volgende voorop. Artikel 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (Hoge Raad 11 april 2008, NJ 2008/465). Het ziekenhuis is als werkgever van [verzoekster] op grond van artikel 7:658 BW dus gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen, die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
4.5.
Vaststaat, partijen zijn het daarover immers eens, dat [verzoekster] op 23 juli 2010 tijdens haar werk ten val is gekomen en dat daarbij letsel is ontstaan. Dit betekent dat het ziekenhuis op grond van artikel 7:658 lid 2 BW daarvoor in beginsel aansprakelijk is. De exacte toedracht van het ongeval hoeft daarbij niet vast te staan terwijl een onzekere toedracht voor risico van de werkgever komt (HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837 en HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430). Het antwoord op de vraag of [verzoekster] ten val is gekomen doordat zij is uitgegleden over een plas water kan daarom in het midden blijven.
Om vervolgens te kunnen concluderen dat het ziekenhuis niet aansprakelijk is, is het aan het ziekenhuis om aan te tonen dat aan de zorgplicht genoemd in lid 1 van artikel 7:658 BW is voldaan. Het ziekenhuis stelt dat zij een adequaat veiligheids- en schoonmaakbeleid heeft, waarbij het voor zich spreekt dat defecten worden gerepareerd, eventuele gevaarlijke situaties worden opgelost en dat met regelmaat schoonmaak plaatsvindt. [verzoekster] daarentegen is van mening dat het ziekenhuis de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, omdat de leidingen kennelijk onvoldoende zijn onderhouden waardoor een lekkage in het plafond kon ontstaan met water op de werkvloer tot gevolg. Waardoor [verzoekster] ten val is gekomen is (in deze procedure) niet duidelijk geworden. Hetgeen [verzoekster] daarover stelt, wordt betwist door het ziekenhuis. De toedracht kan ook niet aan de hand van de stukken die deel uitmaken van het procesdossier worden vastgesteld. In het verlengde daarvan kan de kantonrechter, indien sprake zou zijn van lekkage, dus ook niet vaststellen of het ziekenhuis aan haar zorgplicht heeft voldaan. Omdat de toedracht niet vaststaat, valt evenmin te beoordelen of de val van [verzoekster] aangemerkt moet worden als een “huis- tuin- en keukensituatie”, waarvoor het ziekenhuis niet aansprakelijk is. Dit betekent dat een en ander door middel van nadere onderbouwing en/of bewijslevering (door het ziekenhuis) duidelijk moet worden. In het kader van deze deelgeschilprocedure is daarvoor in principe echter geen ruimte. De kantonrechter ziet in dit geval ook geen aanleiding om op dat uitgangspunt een uitzondering te maken.
4.6.
Uit hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen volgt dat in deze procedure niet kan worden vastgesteld of sprake is van een schending van de zorgplicht en in het verlengde daarvan van aansprakelijkheid van het ziekenhuis. Voor zover het verzoek is gebaseerd op artikel 7:658 BW zal de kantonrechter het verzoek dan ook afwijzen.
4.7.
[verzoekster] heeft haar verzoek tevens gebaseerd op artikel 6:174 en 6:162 BW. Ook op basis hiervan komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Immers, niet is komen vast te staan dat sprake is van een lekkage waardoor water op de vloer terecht is gekomen. Of er sprake is van een gebrekkige opstal of onrechtmatig handelen kan daardoor niet worden vastgesteld. Ook dit zal door middel van bewijslevering duidelijk moeten worden. De bewijslast rust in dit verband in principe op [verzoekster] , waarbij op het ziekenhuis wel een verzwaarde stelplicht rust over - kort gezegd - de door [verzoekster] gestelde feitelijke toedracht, de lekkage in het plafond. Zoals de kantonrechter hiervoor heeft overwogen, zal in het kader van dit deelgeschil echter niet worden overgegaan tot bewijslevering.
4.8.
Ondanks dat het verzoek zal worden afgewezen, overweegt de kantonrechter ten aanzien van de verzochte vaststelling van aansprakelijkheid van Centramed jegens [verzoekster] als volgt. Artikel 7:954 levert geen zelfstandige grond op voor aansprakelijkheid van een verzekeraar ten opzichte van een benadeelde. Aan het artikel kan slechts de bevoegdheid van een benadeelde worden ontleend om rechtstreeks van de verzekeraar betaling te vorderen van datgene dat degene die voor de schade aansprakelijk is uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst van de verzekeraar te vorderen zou hebben.
4.9.
De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 3.800,00 (18:25 uren x € 205,00 inclusief btw) en griffierecht.
Het ziekenhuis en Centramed stellen zich kort gezegd op het standpunt dat het aantal bestede uren bovenmatig moet worden geacht en dat 10 uur zou moeten volstaan. Zij hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief.
De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil.
Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot overeenkomstig het verzoek van [verzoekster] op € 3.800,00 inclusief btw, te vermeerderen met het door betaalde griffierecht van € 78,00.
Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.800,00, te vermeerderen met het griffierecht van € 78,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian en in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.