Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiser 1], eisers 1,
[eiser 4], eisers 4,
[eiser 5], eisers 5,
[eiser 6], eisers 6,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren, verweerder
Scouting [3e partij], gevestigd te [woonplaats], gemachtigde: J.K. Gijzel.
Procesverloop
mr. A.A. Boot). Verweerder en de derde-partij zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun gemachtigden.
Overwegingen
2.1. Bij besluit van 28 juni 2012 heeft verweerder aan de derde-partij een gedoogbeschikking onder voorwaarden verleend om het terrein middels plaatsing van een fietsenstalling en units als scoutinglocatie te gebruiken, totdat het bestemmingsplan “Laren-West” onherroepelijk is geworden en er definitieve toestemming is om het terrein voor de scouting te gebruiken. Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2013:6791) is de beslissing op bezwaar, waarbij de gedoogbeschikking in stand werd gelaten, met instandlating van de rechtsgevolgen vernietigd. Deze uitspraak staat in rechte vast.
2.2. Op 14 mei 2014 hebben eisers verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de plaatsing van een clubhuis op het terrein alsmede tegen het gebruik van het terrein als scoutinglocatie door de derde-partij. Eisers 1 zijn woonachtig op het adres [adres], eiseres 2 op [adres], eiseres 3 op [adres], eisers 4 op [adres], eisers 5 op [adres], eisers 6 op [adres] en eiseres 7 op [adres].
18 oktober 2014 – die dezelfde locatie betroffen – is ten aanzien van eisers 5 en 6 geoordeeld dat zij niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, omdat zij op 125 meter afstand of meer van het terrein wonen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze procedure daarover anders te oordelen. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres 5 en 6 terecht niet- ontvankelijk heeft verklaard.
28 juni 2012 voor het terrein afgegeven gedoogbeschikking nog geldt. Deze beschikking stelt het bestemmingsplan “Sportcomplex [naam]” als toetsingskader terzijde, aldus de gemachtigde. De voorzieningenrechter volgt verweerder hierin niet. Met de voor het terrein afgegeven gedoogbeschikking is geen nieuw ruimtelijk kader in het leven geroepen. De beschikking was slechts bedoeld om een strijdige situatie te overbruggen tot het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “Laren-West”, waarin de aanwezigheid van de scouting op het terrein mogelijk werd gemaakt. De op het terrein betrekking hebbende plandelen zijn door de ABRvS bij uitspraak van 7 mei 2014 vernietigd. Aan het feit dat als voorwaarde aan de gedoogbeschikking is verbonden dat deze geldt totdat het bestemmingsplan “Laren-West” onherroepelijk is geworden en er definitieve toestemming is om de locatie voor de scouting te gebruiken, kan niet de conclusie worden verbonden dat daarmee een oneindig gedogen mogelijk kan worden gemaakt. Op het moment van vernietiging van de betreffende plandelen door de ABRvS heeft de gedoogbeschikking dan ook zijn rechtskracht verloren. De schorsing en daarop volgende vernietiging leiden er voorts toe dat op de betreffende locatie ter plaatse het vorige bestemmingsplan “Sportcomplex [naam]” van toepassing is gebleven. Tussen partijen is niet in geschil dat de opgerichte units en fietsenstalling en het gebruik van het terrein in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan, nu het terrein daarin is bestemd voor “Beplantingsstrook". Evenmin is in geschil dat de bebouwing zonder de benodigde omgevingsvergunning is gerealiseerd. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.
25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:532) zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Beslissing
- verklaart het beroep van eiseres 7 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eisers 5 en 6 ongegrond;
- verklaart het beroep van eisers 1, eiseres 2 eiseres 3 en eisers 4 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- draagt verweerder op binnen drie weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het handhavingsverzoek met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eisers 1, eisers 2, eiseres 3 en eiseres 4 te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.460,-, te betalen aan eisers 1, eisers 2, eiseres 3 en eiseres 4.