Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2014 in de zaak tussen
Utrechtse Schade Advocaten, te Utrecht, gemachtigden: mr. J.W. Koeleman en mr. H. van Ommen.
Rechtbank Midden-Nederland
Het geschil betreft een besluit van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten Midden-Nederland dat de kantoornaam "Utrechtse Schade Advocaten" niet voldoet aan de Samenwerkingsverordening 1993 en daarom gewijzigd moet worden. Belanghebbende had een entreetoets ingediend die eerst was goedgekeurd, maar later werd de goedkeuring ingetrokken. De rechtbank oordeelt dat de brief van intrekking een besluit is waartegen administratief beroep en beroep bij de rechtbank openstaan.
De rechtbank stelt vast dat met de goedkeuring van de entreetoets een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de naam aan de verordening voldeed. Echter is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser een belangenafweging heeft gemaakt waarbij dit vertrouwen is meegewogen. De termijn voor wijziging van de naam en de kosten daarvan zijn onzorgvuldig vastgesteld. De rechtbank volgt eiser niet in diens stelling dat het in stand laten van de naam rechtsongelijkheid zou opleveren.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht het primaire besluit heeft vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging en motivatie. Het beroep van eiser tegen het vernietigingsbesluit is ongegrond verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit tot intrekking van de goedkeuring van de kantoornaam is ongegrond verklaard.