ECLI:NL:RBLIM:2026:669

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
ROE 25/1084
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R.N. Crombaghs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:21 AwbArt. 5:24 AwbArt. 5:31 AwbArt. 125 GemeentewetArt. 4.12 Verordening fysieke leefomgeving Maastricht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bevoegdheid college tot bestuursdwang bij foutief fietsparkeren in Maastricht

Eiseres parkeerde haar fiets buiten de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen in de Alexander Battalaan te Maastricht, in strijd met artikel 4.12, eerste lid van de Verordening fysieke leefomgeving Maastricht. Het college legde een last onder bestuursdwang op en gaf een begunstigingstermijn van vijftien minuten om de fiets te verwijderen. Nadat eiseres hieraan geen gehoor gaf, werd de fiets verwijderd en opgeslagen.

Eiseres voerde aan dat de begunstigingstermijn onredelijk kort was, dat sprake was van spoedeisende bestuursdwang zonder dat het college dit had aangetoond, en dat het toepassen van bestuursdwang onevenredig was omdat de fiets geen overlast veroorzaakte en de parkeervoorzieningen onvoldoende waren. De rechtbank oordeelde dat de termijn van vijftien minuten een redelijke termijn is om de overtreding te herstellen en dat er geen sprake was van spoedeisende bestuursdwang.

Verder stelde de rechtbank vast dat het college bevoegd was tot handhaving en dat het besluit niet onevenredig was. Het ontbreken van markeringen rondom de parkeervoorziening deed hieraan niet af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de rechtmatigheid van het besluit en wees de proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder bestuursdwang tot verwijdering van de fiets is ongegrond verklaard en het college mocht de fiets verwijderen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1084

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] )
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht

(gemachtigden: mr. M.C.W. Ploem en mr. M. Terpstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om door middel van een last onder bestuursdwang de fiets van eiseres te (laten) verwijderen. Eiseres is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college bevoegd was bestuursdwang toe te passen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de fiets van eiseres mocht verwijderen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage.

Procesverloop

2. Bij besluit van 22 januari 2025 heeft het college door middel van een last onder bestuursdwang de fiets van eiseres verwijderd.
2.1.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college is met de beslissing op bezwaar van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) bij het besluit tot toepassen van bestuursdwang gebleven.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. Op 22 januari 2025 heeft eiseres haar fiets buiten een parkeervoorziening geparkeerd in de Alexander Battalaan te Maastricht. In dit gebied is het verplicht om een fiets in een parkeervoorziening te parkeren. [1] Omstreeks 12:36 uur heeft een handhaver van de gemeente Maastricht een waarschuwingslabel aan de fiets bevestigd waarop stond vermeld dat de fiets vanwege foutief parkeren binnen vijftien minuten moest worden verwijderd. Omdat de fiets niet binnen de gestelde termijn is verwijderd heeft het college besloten de fiets te verwijderen en elders op te slaan.
4. Eiseres stelt zich - onder verwijzing naar twee uitspraken [2] - op het standpunt dat de begunstigingstermijn van vijftien minuten geen redelijke termijn is om de overtreding te herstellen. Zij woont op de bovenste verdieping van een flat en het duurt al vijftien minuten om van boven naar beneden te lopen. Gelet op de zeer korte begunstigingstermijn is volgens eiseres sprake van spoedeisende bestuursdwang. Omdat het college geen spoedeisendheid heeft aangetoond, is niet voldaan aan de vereisten daarvan. Daarnaast stelt eiseres dat het toepassen van bestuursdwang in deze situatie onevenredig is, omdat de fiets niet in de weg stond en er dus geen sprake was van een onveilige situatie. Ook is de parkeervoorziening niet met een witte lijn gemarkeerd waardoor het onduidelijk is waar de fiets geparkeerd mag worden. Verder zijn er te weinig (gratis) parkeervoorzieningen in de gemeente en staan deze vaak vol met zwerffietsen en fietswrakken. Hierdoor was eiseres genoodzaakt om haar fiets foutief te parkeren. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiseres afzonderlijk behandelen.
Beoordeling door de rechtbank
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres haar fiets buiten de stallingruimten in de Alexander Battalaan heeft geparkeerd, zodat door haar is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 4.12, eerste lid van de Verordening fysieke leefomgeving Maastricht. Het college was daarom in beginsel bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen.
Was sprake van een redelijke begunstigingstermijn?
6. De rechtbank overweegt dat aan het college enige vrijheid toekomt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn. Bij het bepalen van de lengte geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. De feitelijke handeling die benodigd is om de overtreding op te heffen dient daarbij als uitgangspunt. [3]
7. De rechtbank is van oordeel dat een begunstigingstermijn van vijftien minuten voor het feitelijk weghalen van een fiets als een reële termijn moet worden aangemerkt. Een termijn van vijftien minuten is voldoende om de overtreding te herstellen. De door eiseres in dat kader aangehaalde uitspraken hebben betrekking op andere (juridische) geschilpunten en missen daarom relevantie in deze zaak. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was sprake van spoedeisende bestuursdwang?
8. De rechtbank volgt de stelling van eiseres niet dat sprake was van spoedeisende bestuursdwang. Bij de toepassing van spoedeisende bestuursdwang wordt geen begunstigingstermijn gegund, omdat onmiddellijke handhaving noodzakelijk is ter voorkoming of beëindiging van een acute en ernstige situatie. Vaststaat dat het college aan eiseres een begunstigingstermijn heeft gegeven, waarin zij zelf maatregelen had kunnen nemen om te voorkomen dat haar fiets zou worden verwijderd. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat de begunstigingstermijn dermate kort is dat in feite sprake is van spoedeisende bestuursdwang. De rechtbank heeft al geoordeeld dat vijftien minuten een reële termijn is om een fiets te verwijderen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het toepassen van bestuursdwang onevenredig?
9. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dat wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. [4]
10. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onevenredig besluit. Voor het handhavend optreden tegen een foutief geparkeerde fiets is niet vereist dat daadwerkelijk sprake is van een hinderlijke situatie. Handhaving vindt juist plaats ter voorkoming en bestrijding van overlast en om een ordelijk gebruik van de openbare ruimte te waarborgen. Daarnaast heeft het college met een plattegrond laten zien dat in de directe omgeving verschillende mogelijkheden zijn om de fiets legaal te parkeren. Dit heeft eiseres ook niet betwist. De stelling dat zij geen gebruik wilde maken van een betaalde of verder gelegen parkeerplaats betekent niet dat eiseres daardoor foutief moest parkeren. De stelling dat het ontbreken van een markering rondom de parkeervoorziening de situatie onduidelijk maakt wordt evenmin gevolgd. Fietsen mogen uitsluitend worden geparkeerd in de daarvoor bestemde rekken. Omdat parkeren buiten deze rekken niet is toegestaan, is het al dan niet ontbreken van een markering niet relevant.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de bestuursdwang terecht heeft toegepast en de fiets van eiseres mocht verwijderen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk.
11.1.
Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026 .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 22 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrechtArtikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:24
1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2. De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
(…)
Artikel 5:31
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Gemeentewet

Artikel 125

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
(…)

Verordening fysieke leefomgeving Maastricht

Artikel 4.12 Overlast van fiets of bromfiets
1. Het is verboden een fiets of bromfiets buiten de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen te laten staan op een weg of weggedeelte dat het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente of ter voorkoming of opheffing van overlast, heeft aangewezen.
(…)

Voetnoten

1.Zie: ‘Wijziging aanwijzingsbesluit fietsparkeren aan de Verordening fysieke leefomgeving’.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2621, r.o. 7.1.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:770, r.o. 4.3.