ECLI:NL:RBAMS:2019:1738

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2019
Publicatiedatum
12 maart 2019
Zaaknummer
AWB 18-3003
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3:41 AwbArt. 3:42 AwbArt. 4:27 APV AmsterdamArt. 5:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke procedure over verwijdering en opslag van fiets door gemeente Amsterdam

Eiser betwistte de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het verwijderen en opslaan van zijn fiets door de gemeente Amsterdam. De fiets was op 19 december 2017 verwijderd en op 28 december 2017 opgehaald uit het fietsdepot. Op de fiets was op 6 november 2017 een sticker aangebracht met een verwijderingsdatum vanaf 20 november 2017. Verweerder stelde dat de bezwaartermijn vanaf de stickerdatum liep en het bezwaar te laat was ingediend.

De rechtbank oordeelde dat de sticker een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, namelijk een last onder bestuursdwang om de fiets vóór 20 november 2017 te verwijderen. Echter, de bekendmaking van dit besluit vond niet plaats op de stickerdatum, maar pas op 28 december 2017 toen eiser zijn fiets uit het depot ophaalde en het kennisgevingsformulier ontving.

Hierdoor begon de bezwaartermijn pas op 29 december 2017 te lopen en was het bezwaar van eiser, ingediend op 8 januari 2018, tijdig. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het bezwaar van eiser is tijdig ingediend, het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/3003

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Visser).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder een door eiser gemaakt bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2019. Eiser is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het bestreden besluit vermeld dat een handhaver namens het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel [stadsdeel] van de gemeente Amsterdam (het stadsdeel) eisers fiets op 19 december 2017 heeft verwijderd van de locatie [adres] en vervolgens heeft opgeslagen in het fietsdepot. Eiser heeft zijn fiets op 28 december 2017 bij het fietsdepot opgehaald. Volgens verweerder is het besluit de fiets te verwijderen en op te slaan op 6 november 2017, door het aanbrengen van een sticker op de fiets op die datum, bekendgemaakt en heeft eiser daartegen niet tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken, bezwaar gemaakt, omdat verweerder het bezwaar pas op 9 januari 2018 heeft ontvangen. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser een geldige reden voor de termijnoverschrijding had.
2.1
Eiser vindt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Hij bestrijdt dat op zijn fiets een sticker is aangebracht, dat op 6 november 2017 een besluit aan hem is bekendgemaakt en dat vanaf die datum de bezwaartermijn is gaan lopen. Verweerder kan niet aantonen dat hij een besluit aan eiser heeft bekendgemaakt. Als datum van bekendmaking moet de datum worden genomen dat zijn twee fietsen, waarvan er één niet meer in het fietsdepot is aangetroffen en dus verdwenen was, in opdracht van het stadsdeel werden meegenomen, te weten op 19 december 2017. De bezwaartermijn van zes weken is daarom pas vanaf die datum gaan lopen, volgens eiser.
2.2.1
De rechtbank overweegt als volgt.
2.2.2
Uit het met het verweerschrift toegezonden constateringsformulier blijkt dat eisers fiets, met nummer [nummer] , op 19 december 2017 is meegevoerd is en vervolgens is opgeslagen, omdat het in strijd met artikel 4.27, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam (APV) is verlaten. Uit het constateringsformulier blijkt ook dat op 6 november 2017 een sticker op de fiets is aangebracht. Het constateringsformulier bevat een foto waarop is waar te nemen dat op een fiets een sticker is aangebracht, met daarop – onder meer – de tekst ‘
stickerdatum 06/11/17’ en ‘
tijdstip wordt verwijderd v.a. 20/11/2017’. Deze sticker correspondeert met de sticker die is aangebracht op het formulier ‘kennisgeving besluit’ waaruit valt af te leiden dat eisers fiets op 28 december 2017 aan eiser is overhandigd, na betaling van administratiekosten van € 22,50. Op deze sticker is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: ‘
gemeente Amsterdam’, ‘verwijdering vindt plaats op grond van art. 4:27 APV Pro (hinder, staat van de fiets, overschrijding parkeerduur of in verband met evenement of de uitvoering van werkzaamheden)’, ‘
op website staat hoe u verwijdering kunt voorkomen’, ‘stickerdatum 6/11/2017’, ‘wordt verwijderd v.a. 20/11/17’.
2.2.3
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het vorenstaande aannemelijk dat het stadsdeel bovengenoemde sticker op 6 november 2017 op eisers fiets heeft aangebracht. De rechtbank is van oordeel dat de sticker een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, dat gericht is op een rechtsgevolg dat op 6 november 2017 intreedt [1] (het primaire besluit). Het moet worden gekwalificeerd als een last onder bestuursdwang om de fiets vóór 20 november 2017 te verwijderen, omdat sprake is van strijd is met artikel 4:27 van Pro de APV.
2.2.4
Vervolgens komt de vraag aan de orde of en zo ja wanneer het besluit van 6 november 2017 aan eiser is bekend gemaakt.
2.2.5
Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Op grond van artikel 3:41, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van het besluit, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere geschikte wijze.
2.2.6
Artikel 5:24, derde lid, van de Awb schrijft in gevallen waarin een bestuursorgaan een last onder dwangsom oplegt, in afwijking van de in artikel 3:41 en Pro 3:42 van de Awb opgenomen regels over de bekendmaking van besluiten, voor dat de last bekend moet worden gemaakt aan rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast, aan de overtreder en eventueel aan de aanvrager van de beschikking om bestuursdwang.
2.2.7
Niet in geschil is dat eiser zijn fiets op 28 december 2017 uit het depot heeft opgehaald en dat hem daarbij het formulier ‘kennisgeving besluit’ is overhandigd, waarop voornoemde sticker, inhoudende het primaire besluit, is aangebracht. Omdat, zoals vaststaat, de overtreder ten tijde van het toepassen van bestuursdwang niet bekend was, is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2005 [2] , van oordeel dat het primaire besluit niet op grond van artikel 5:24, derde lid, van de Awb aan eiser bekend behoefde te worden gemaakt voordat bestuursdwang werd toegepast. Het besluit is aan eiser uitgereikt toen hij zijn verwijderde fiets ophaalde, namelijk op 28 december 2017, waarmee het aan hem is bekendgemaakt. Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat de bekendmaking van dat besluit al bij het aanbrengen van de sticker op 6 november 2017 of tijdens het wegvoeren van de fiets op 19 december 2017 plaatsvond.
2.2.8
Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de in artikel 6:7 van Pro de Awb genoemde termijn van zes weken voor het indienen van het bezwaarschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Omdat het primaire besluit op 28 december 2017 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is de bezwaartermijn op 29 december 2017 gaan lopen. De rechtbank stelt vast dat eiser binnen de termijn van zes weken, namelijk op 8 januari 2018, en dus tijdig hiertegen bezwaar heeft gemaakt.
2.2.9
De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Omdat nog niet inhoudelijk op het bezwaar is beslist en de rechtbank niet zelf in de zaak kan voorzien, zal de rechtbank bepalen dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit neemt.
4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de toezending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:12168).
2.ECLI:NL:RVS:2005:AS5483, rechtsoverweging 2.5.