Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5434

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/1004
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 13 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting bovenwoning wegens hennepkwekerij

De burgemeester van Heerlen besloot op 1 mei 2026 tot sluiting van een bedrijfspand, de bovenwoning en een naastgelegen garage voor zes maanden vanwege de aanwezigheid van een hennepkwekerij met 1068 planten in het bedrijfspand. Verzoeker, huurder van de bovenwoning, maakte bezwaar tegen de sluiting van zijn woning en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en stelde vast dat verzoeker de woning in de weekenden bewoont en zonder toegang tot de woning geen woonruimte heeft. De burgemeester stelde dat de bovenwoning onlosmakelijk verbonden is met de hennepkwekerij omdat de kweekruimtes alleen via de woning bereikbaar waren en dat het pand als één geheel moet worden beschouwd.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat onvoldoende is aangetoond dat de woning en het bedrijfspand als één geheel moeten worden gezien. Er is geen directe doorgang tussen de woning en het bedrijfspand, aparte huisnummers en huurders, en geen aanwijzingen voor functionele samenhang. Ook is niet uitgesloten dat het bedrijfspand via de garage bereikbaar was. Daarom is de sluiting van de bovenwoning niet gerechtvaardigd.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor de sluiting van de bovenwoning wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de sluiting van de bovenwoning wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1004

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Tiel, verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Carli),
en

de Burgemeester van de gemeente Heerlen, de burgemeester

(gemachtigde: M.A.M.A. Huppertz en K. Koelen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om een bedrijfspand, de daarboven gelegen woning en naastgelegen garage, te sluiten voor de duur van zes maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens, voor wat betreft de bovenwoning, waarvan hij de huurder is. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 mei 2026 heeft de burgemeester besloten om het bedrijfspand en daarboven liggende woning waarvan verzoeker de bewoner is en de daarnaast gelegen garage, te sluiten voor de duur van zes maanden vanaf 11 mei 2026 om 14:00 uur
.Verzoeker heeft hiertegen, wat de bovenwoning betreft, op 3 mei 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft de rechtbank laten weten dat met sluiting van de woning wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. De burgemeester heeft een bestuurlijke rapportage van 9 april 2026 ontvangen van de politie. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat op 17 maart 2026 door medewerkers van de politie in het bedrijfspand (huisnummer 121) en de daarboven gelegen woning (huisnummer 123) een onderzoek is verricht naar aanleiding van een positieve netmeting. Tijdens het onderzoek werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen bestaande uit 1068 hennepplanten, verdeeld over twee kweekruimtes. De kwekerij bevond zich in de bedrijfsruimte met huisnummer 121. In de bestuurlijke rapportage is over de bereikbaarheid van de hennepkwekerij het volgende opgenomen:
“De toegang tot de kwekerij was uitsluitend te gebruiken door de bovenwoning te doorlopen van huisnummer 123. Alle overige deuren waren dichtgeschroefd met zware multi plex platen. Via huisnummer 123 liep men via een vaste trap naar de 1e etage waar de woonkamer/open keuken gelegen was. In de woonkamer bevond zich een achterdeur naar buiten om toegang tot het platdak te krijgen. Vervolgens bevond zich aan het plat dak een brandtrap naar de achtertuin. In de achtertuin was vervolgens weer een vaste trap naar beneden die toegang verschafte tot de achterdeur van de begane grond van huisnummer 121. Deze achterdeur was gesloten met een slot. De woning huisnummer 123 1e etage was geheel in gebruik voor bewoning, het bedrijfspand huisnummer 121 was geheel in gebruik als hennepkwekerij.”
In de kweekruimtes en de garage (op nummer 119a) zijn blijkens het bestreden besluit, de volgende aan hennepteelt gerelateerde goederen aangetroffen:
  • 51 armaturen;
  • 50 aangesloten assimilatielampen en 1 niet aangesloten assimilatielamp;
  • 5 aangesloten LED-lampen;
  • 51 aluminiumtransformatoren;
  • 2 koolstoffilters;
  • 2 luchtafzuigers;
  • 7 metalen ventilatoren;
  • 2 opticlimate;
  • 2 luchtbevochtigers;
  • 1 verwarmingselement;
  • 2 schakelborden;
  • 2 snelheidsregelaars;
  • 1 slakkenhuis;
  • 2 temperatuurventilatieregelaars;
  • 2 water- en beluchting en dompelpompen;
  • 11 groeimiddelen;
  • 2 hyproph/ec en thermometers;
  • meerdere zakken potgrond.
Ook is uit onderzoek van de netbeheerder gebleken dat sprake is van diefstal van stroom en gevaar door manipulatie van de installatie.
3.1.
Uit gegevens van de politie blijkt dat verzoeker de huurder is van de bovenwoning. Uit de Basisregistratie Personen (Brp) volgt echter dat er op het adres niemand ingeschreven staat.
3.2.
De burgemeester heeft op 16 april 2026 het voornemen tot sluiting van het bedrijfspand, de bovenwoning en de garage aan verzoeker toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De burgemeester heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om van het voornemen om tot sluiting over te gaan af te zien en heeft het bestreden besluit genomen.
Is er sprake van spoedeisend belang?
4. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter moet dus eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang voldoende aannemelijk. Verzoeker staat weliswaar niet in de Brp ingeschreven op het betreffende adres, maar heeft verklaard dat hij in de weekenden (van vrijdagavond tot maandagochtend) in de bovenwoning woont. Verzoeker werkt in Tiel en deelt daar doordeweeks een kamer met collega’s. Daar staat hij ingeschreven. Hij heeft daar geen privacy en verblijft daarom van vrijdagavond tot maandagochtend in de woning in Hoensbroek. In de omgeving van Hoensbroek wonen zijn vrienden en zijn broer. Als er geen voorziening wordt getroffen heeft verzoeker de komende drie maanden geen toegang tot de woning waarin hij een groot gedeelte van zijn tijd doorbrengt.
Wat is het standpunt van verzoeker?
6. Verzoeker voert aan dat een sluiting op grond van artikel 113b van de Opiumwet een pandgerichte maatregel is. De hennepkwekerij is aangetroffen in de bedrijfsruimte en de daarbij behorende garage en niet in de door verzoeker gehuurde bovenwoning. Verzoeker is ook nooit in de bedrijfsruimte en de garage geweest. Verzoeker ziet niet in dat de door hem gehuurde bovenwoning gesloten moet worden, nu zich daar geen verdovende middelen of daaraan gerelateerde spullen bevonden. Verzoeker voert verder aan dat de burgemeester voorbijgaat aan zijn belang, dat eruit bestaat dat hij door een sluiting gedurende drie dagen per week, tijdens al zijn vrije dagen, feestdagen en vakantiedagen, geen woonruimte heeft, maar wel huur moet doorbetalen.
Wat is het toetsingskader?
7. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat
daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
8. De burgemeester heeft beleidsregels “Damoclesbeleid Heerlen” voor de toepassing van deze bevoegdheid vastgesteld.
9. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor verder het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Dit kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 [1] en van 16 juli 2025 [2] . Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?
10. De voorzieningenrechter begrijpt verzoekers gronden zo dat hij betwist dat de burgemeester bevoegd was om tot sluiting over te gaan, omdat in de bovenwoning geen drugs is aangetroffen.
11. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de bovenwoning een onlosmakelijk onderdeel vormt van de hennepplantage, omdat de kweekruimtes alleen konden worden bereikt door de bovenwoning te doorlopen. Alle overige deuren (ook de voordeur van het bedrijfspand waarin de kweekruimtes zich bevonden) waren volledig dichtgeschroefd met zware Multiplex platen. Het gaat volgens de burgemeester bovendien om één perceel, waarop sprake is van een bedrijfsmatige en professionele hennepplantage met een zeer grote hoeveelheid hennepplanten. De woning had een ondergeschikte woonfunctie gezien de doorloop en het feit dat er geen actuele inschrijving in de Brp bekend is.
12. In de rechtspraak van de Afdeling is als criterium ontwikkeld dat van belang is of er een zodanige relatie bestaat tussen de onderscheiden (delen van) bouwwerken dat die als één geheel moeten worden beschouwd. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als een dergelijke samenhang bestaat, dan strekt de bevoegdheid tot sluiting zich uit tot dat geheel, ongeacht of in de te onderscheiden delen al dan niet handelsvoorraden drugs zijn aangetroffen. [3]
13. De voorzieningenrechter is (voorlopig) van oordeel dat door de burgemeester (vooralsnog) onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij bevoegd was om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Uit de tekst van artikel 13b, eerste lid, volgt dat de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten indien in de woning een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In dit geval is in de bovenwoning zelf geen middel uit lijst I of II aangetroffen. In dat geval kan de woning gesloten worden als er een zodanige relatie tussen de schuur en de woning is dat de burgemeester om die reden bevoegd was om ook de woning te sluiten. Van een zodanige relatie is sprake als de te onderscheiden (delen van) bouwwerken als één geheel moeten worden beschouwd. De Afdeling heeft overwogen [4] dat het op zichzelf onvoldoende is als de woning, en in het geval van de uitspraak van de Afdeling, de schuur op één perceel liggen. De voorzieningenrechter acht dat in dit geval ook onvoldoende. Weliswaar zijn in dit geval de bovenwoning en de bedrijfsruimte bouwkundig met elkaar verbonden, maar er is geen directe doorgang vanuit de bovenwoning naar de bedrijfsruimte. Het betreffen twee aparte huisnummers met twee aparte voordeuren en twee verschillende huurders. Bovendien zijn er geen omstandigheden die duiden op een functionele samenhang. In de bestuurlijke rapportage staat expliciet dat de bedrijfsruimte volledig in gebruik was als hennepkwekerij en de bovenwoning geheel in gebruik was voor bewoning. In de woning zijn ook geen hennepplanten of aan de hennepkwekerij gerelateerde producten aangetroffen. Dat de kweekruimtes enkel konden worden bereikt via de bovenwoning, zoals de burgemeester stelt, is de voorzieningenrechter nu nog onvoldoende gebleken, bij de bestuurlijke rapportage ontbreken bijvoorbeeld foto’s van de situatie ter plaatse. In de bestuurlijke rapportage staat dat de toegang tot de kwekerij uitsluitend te bereiken was via de bovenwoning, omdat je vanuit de bovenwoning het platte dak en de brandtrap naar de achtertuin kan bereiken en vanuit de achtertuin vervolgens via de achterdeur, de enige niet dichtgemaakte deur, het bedrijfspand binnen kan. In het besluit staat echter, en dit heeft de burgemeester ter zitting ook bevestigd, dat de bedrijfsruimte ook te bereiken was vanuit de garage met huisnummer 119a. Dat de garage enkel te bereiken is via het bedrijfspand blijkt echter niet uit de bestuurlijke rapportage. Daarin staat niets over de garage of dat de deur ervan is dichtgeschroefd. De voorzieningenrechter kan dus niet uitsluiten dat het bedrijfspand ook te bereiken was via de garage met huisnummer 119a of op een andere manier, bijvoorbeeld via de tuin. De voorzieningenrechter betrekt bij haar oordeel verder dat ook niet op andere manieren is gebleken dat de bovenwoning betrokken was bij de hennepkwekerij in het bedrijfspand. Zo zijn er geen eerdere signalen geweest dat mensen via de bovenwoning de bedrijfsruimte inging, althans blijkt dat niet uit de stukken in het dossier en lijkt het, zoals verzoeker ter zitting terecht heeft gesteld, onmogelijk om via de weg die nu wordt geschetst (plat dak, brandtrap) een hennepkwekerij van de omvang die is aangetroffen in te richten.
14. Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de burgemeester zijn standpunt dat hij bevoegd is om de bovenwoning te sluiten onvoldoende heeft gemotiveerd. Niet ondenkbaar is dat de burgemeester voornoemd motiveringsgebrek gedurende de bezwaarfase nog kan herstellen, maar hij zal dan wel beter moeten motiveren waarom volgens hem sprake is van één geheel.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de woning van verzoeker, wordt geschorst tot twee weken nadat de burgemeester een beslissing op bezwaar heeft genomen. De burgemeester zal het griffierecht van verzoeker moeten vergoeden.
16. De voorzieningenrechter zal de burgemeester bovendien veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit voor zover dat ziet op de woning van verzoeker tot twee weken na de door de burgmeester te nemen beslissing op het bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 4 juni 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3947, herhaald in de uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:211.
4.In de uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:211.