ECLI:NL:RBLIM:2026:4775

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
14 mei 2026
Zaaknummer
C/03/351455 / JE RK 26-684
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Frénay
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e BWArt. 29a lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gedeeltelijke gezagsbelasting aan gecertificeerde instelling wegens beëindiging uithuisplaatsing

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om het gezag over de minderjarige gedeeltelijk toe te kennen aan haar, specifiek voor de aanmelding bij een onderwijsinstelling, omdat de vader geen toestemming gaf voor inschrijving op een nieuwe school. De minderjarige woont sinds eind april 2026 bij de moeder, en de GI wilde de moeder uit de strijd houden door het gezag deels over te nemen.

De kinderrechter stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog loopt tot 23 juli 2026, maar dat de minderjarige sinds 24 april 2026 volledig bij de moeder woont, waardoor feitelijk geen sprake meer is van een uithuisplaatsing. Volgens artikel 1:265e BW kan gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI alleen plaatsvinden indien de minderjarige uit huis is of wordt geplaatst.

De rechtbank benadrukt de terughoudendheid die de wetgever heeft beoogd bij het toekennen van gedeeltelijk gezag aan de GI, omdat dit een forse inbreuk op het ouderlijk gezag betekent. Ook al weigert de vader toestemming, de moeder is het eens met het verzoek en heeft eigen juridische middelen om het beoogde resultaat te bereiken. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot gedeeltelijke gezagsbelasting aan de gecertificeerde instelling wordt afgewezen omdat de minderjarige niet langer uit huis is geplaatst.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/351455 / JE RK 26-684
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen de GI, gevestigd in Roermond,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder,
wonend op een geheim adres in het arrondissement Limburg,
[de vader], hierna te noemen de vader,
wonend in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 15 april 2026.
1.2
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] verblijft bij de moeder.
2.3
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 23 januari 2026 tot 23 januari 2027 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 23 januari 2026 tot 23 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling wordt toegekend aan de GI met ingang van 24 april 2026, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, en te bevelen dat deze gedeeltelijke gezagstoekenning aan de GI zal worden aangetekend in het gezagsregister.
3.2
De GI stelt dat [minderjarige] met ingang van eind april 2026 bij de moeder gaat wonen. Sinds januari 2026 is het contact steeds verder uitgebreid. [minderjarige] dient ingeschreven te worden op een nieuwe school in de buurt van het nieuwe woonadres. Vanwege het feit dat de vader gezag heeft, heeft de GI hem om toestemming gevraagd voor plaatsing op een nieuwe school. De vader heeft niet gereageerd. Om [minderjarige] toch de garantie te kunnen geven van het volgen van onderwijs in zijn nieuwe woonplaats verzoekt de GI om vervangende toestemming. De afstand tussen de huidige school en de nieuwe woonplaats is te groot om dagelijks onderwijs te kunnen garanderen. Er ligt een school om de hoek van waar de moeder woont, maar de GI wil het adres van de school geheim houden vanwege de dreiging van de vader die er nog steeds is. Het is de derde keer dat er vervangende toestemming ergens voor iets moet worden verzocht. De vader misbruikt zijn gezag en geeft nergens toestemming voor. De GI wil de moeder uit de strijd houden en het voor de moeder regelen.

4.Het verweer

4.1
De moeder is het eens met het verzoek. Sinds 24 april 2026 woont [minderjarige] weer helemaal bij de moeder. Het is belangrijk dat [minderjarige] naar een nieuwe school kan.
4.2
De vader heeft geen verweer gevoerd.

5.De beoordeling

5.1
Op grond van artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter indien een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Hij kan dit doen met betrekking tot:
a) de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling;
b) het geven van toestemming voor een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat geacht kan worden tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake; of
c) het doen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ten behoeve van een minderjarige als bedoeld in de artikelen 14 of 28 van de Vreemdelingenwet 2000.
De duur van de gedeeltelijke uitoefening van het gezag kan niet langer zijn dan die van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing.
5.2
De bepaling dat de GI in plaats van de ouders het gezag voor bepaalde beslissingen kan uitoefenen, is een vergaande beslissing. Dat volgt niet alleen uit de aard van artikel 1:265e BW, maar ook uit de toelichting daarop en uit de wetsgeschiedenis. Het gaat over een forse inbreuk op het gezag van ouders en op hun fundamentele rechten en er moet terughoudend mee worden omgegaan. Er moet om te beginnen sprake zijn van een (machtiging tot) uithuisplaatsing van het kind waar het verzoek op ziet en een (aanstaande) uithuisplaatsing van het kind. Dat volgt uit zowel de tekst van het wetsartikel, de toelichting daarop als uit de wetsgeschiedenis. In de Kamerstukken hierover is vermeld:
“De mogelijkheid tot gedeeltelijke gezagsuitoefening door het bureau jeugdzorg wordt alleen gecreëerd voor die situaties waarin de minderjarige met een machtiging tot uithuisplaatsing uit huis is of wordt geplaatst. Indien kinderen nog thuis wonen, is gezagsoverheveling immers niet aan de orde, omdat de ouders zelf de verzorging en opvoeding van hun kind vormgeven” (Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, blz. 31).”
Dit blijkt ook uit de jurisprudentie, waaronder uitspraken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden van 24 augustus 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:5571) en van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2163).
5.3
In dit geval woont [minderjarige] sinds 24 april 2026 weer volledig bij de moeder, na een korte en snelle opbouw sinds januari 2026. Dat was ook de bedoeling, zo heeft de GI meegedeeld. Daarmee is een einde gekomen aan de (tenuitvoerlegging van de machtiging tot) uithuisplaatsing van [minderjarige] . Er is op dit moment van beoordelen van het verzoek geen sprake (meer) van een situatie dat [minderjarige] uit huis is of wordt geplaatst, ondanks dat (de termijn van) de machtiging tot uithuisplaatsing nog geldig is. Bij die stand van zaken moet het verzoek worden afgewezen, mede gelet op de grote terughoudendheid die de wetgever heeft beoogd bij de toepassing van artikel 1:265e BW.
5.4
Ook wanneer er wel nog sprake zou zijn van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is de vraag of het verzoek voor toewijzing gereed zou hebben gelegen. Immers, uit de toelichting op dit artikel in de Groene Serie volgt:
“Waar bijzonder goed op moet worden gelet is of er niet een minder ingrijpende maatregel is waarmee hetzelfde resultaat kan worden bereikt, want als een minder ingrijpende oplossing voorhanden maar toch niet gebruikt is, dan is oplegging van de maatregel disproportioneel.”
In dat kader geldt dat artikel 1:265e BW ingrijpt in het gezag van beide ouders. Echter, in deze zaak weigert alleen de vader zijn toestemming. Dat de moeder instemt met het verzoek, maakt de inbreuk op haar gezag niet anders. Dat de GI alles voor de moeder wil regelen en haar en [minderjarige] uit de strijd wil houden, is begrijpelijk, maar anders dan de GI, heeft de moeder eigen, wellicht minder ingrijpende, juridische middelen tot haar beschikking op grond waarvan het beoogde resultaat kan worden gerealiseerd.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Frénay, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026, in aanwezigheid van Heijnens als griffier en op schrift gesteld op 13 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.