AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging last onder dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan en Wabo
Eiseres kreeg van het college een last onder dwangsom opgelegd omdat zij een caravan, een aanhanger en een oplegger op haar perceel had staan zonder vergunning, wat in strijd is met het bestemmingsplan 'Agrarisch met waarden' en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De rechtbank oordeelt dat de caravan als bouwwerk moet worden aangemerkt en dat het stallen van de aanhanger en oplegger niet inherent is aan het agrarisch gebruik van het perceel, waardoor beide overtredingen zijn vastgesteld. Het beroep van eiseres dat het bestemmingsplan en de last onder dwangsom in strijd zijn met Europees recht en het discriminatieverbod wordt verworpen.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eiseres onvoldoende aannemelijk maakt dat zij ongelijk wordt behandeld. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit af, maar kent een vergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de last onder dwangsom blijft in stand en eiseres krijgt geen terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 22/2797
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: A.A. van Kerkhoff),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L.)
(gemachtigde: S.N.J. Kerkhoff).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een door het college aan eiseres opgelegde last onder dwangsom. Deze last houdt in dat zij op haar perceel in [plaats] geen caravan mag plaatsen en geen andere opleggers, aanhangwagens of andere voertuigen in strijd met het bestemmingsplan mag stallen. Eiseres is het niet eens met de last onder dwangsom. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiseres of de last onder dwangsom stand kan houden.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep tegen de last onder dwangsom ongegrond is. Het college heeft terecht twee overtredingen vastgesteld en het opleggen van een last onder dwangsom is niet in strijd met het Europees recht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 12 juni 2022 heeft het college eiseres een last onder dwangsom opgelegd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt en tijdens de bezwaarprocedure om een voorlopige voorziening verzocht. Op 9 september 2022 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dat verzoek afgewezen. [1]
3. In de beslissing op het bezwaar van eiseres van 15 november 2022 (het bestreden besluit) blijft het college bij de last onder dwangsom.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en later een aanvullend beroepschrift en aanvullende stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer ROE 22/2796. De gemachtigde van eiseres heeft bij aanvang van de zitting een wrakingsverzoek ingediend, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. De Wrakingskamer van deze rechtbank heeft dat verzoek op 4 september 2025 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 4 maart 2026 (gevoegd) voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
6. Na de zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst en doet in beide zaken apart uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
7. In januari 2022 is eiseres eigenaresse geworden van een perceel in de gemeente [plaats] . Voor dat perceel geldt de bestemming ‘agrarisch met waarden’. In maart 2022 heeft het college vastgesteld dat eiseres een caravan op het perceel had gestald. Het college vond dat in strijd met het bestemmingsplan en heeft haar daarvan op de hoogte gesteld. Op 5 juli 2022 heeft het college vastgesteld dat eiseres naast de caravan ook een aanhanger en een oplegger op het perceel had gestald. Ook dat is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft haar daarom een last onder dwangsom opgelegd. Die houdt in dat zij:
een dwangsom van € 5.000,- ineens verbeurt als op of na 8 september 2022 op het perceel nog steeds of opnieuw een caravan staat;
een dwangsom van € 1.500,- per week met een maximum van € 15.000,- verbeurt, als op of na 8 september 2022 op het perceel opnieuw opleggers, aanhangwagens of andere voertuigen in strijd met bestemmingsplan (tijdelijk) worden gestald.
8. Eiseres vindt dat er geen sprake is van een overtreding. Eiseres wilde de caravan, de oplegger en de aanhanger juist gebruiken om het perceel agrarisch te kunnen gebruiken. Dat is niet in strijd met het bestemmingsplan. Het college kon dus geen last onder dwangsom opleggen. Door de last onder dwangsom kan eiseres het perceel nu niet agrarisch gebruiken. Zij kan nu immers het perceel niet op met opleggers of aanhangers zonder de last te overtreden. Bovendien behandelt het college eiseres ongelijk omdat het college wel tegen haar optreedt maar niet tegen anderen in de omgeving die voertuigen op hun grond stallen.
8.1.
Volgens eiseres zijn het bestemmingsplan en de last onder dwangsom in strijd met het Europees recht. Het bestemmingsplan maakt een verschil tussen particulier en bedrijfsmatig gebruik. Dat is in strijd met het discriminatieverbod. Het bestemmingsplan en de last onder dwangsom beperken eiseres ook onrechtmatig in haar gebruik van het perceel. Dat is in strijd met haar recht op ongestoord genot van haar eigendom. Eiseres verzoekt de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen over de vraag of het bestemmingsplan in strijd is met Europees recht en specifiek het discriminatieverbod.
8.2.
Eiseres stelt verder dat zij recht heeft op een schadevergoeding en compensatie omdat onrechtmatige beslissingen in stand zijn gelaten. Omdat de compensatie hoger uit zal vallen dan de geleden schade verzoekt eiseres de rechtbank compensatie toe te kennen. Ook verzoekt zij om een schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn.
Is er sprake van een overtreding?
Toetsingskader
9. Om te beoordelen of het college handhavend mocht optreden tegen eiseres moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een overtreding door eiseres. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving zal het college bij een overtreding in beginsel gebruik moeten maken van die bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit is alleen anders als er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld wanneer er concreet zich op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. [2]
10. Het staat niet ter discussie dat eiseres een caravan, oplegger en aanhangwagen op haar perceel had staan zonder vergunning. Om te beoordelen of daarmee sprake was van een overtreding moet de rechtbank beoordelen of voor het plaatsen van de caravan en het stallen van de oplegger en aanhanger een omgevingsvergunning nodig was.
10.1.
De rechtbank toetst dat aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). [3] Op grond van de Wabo is voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel een omgevingsvergunning nodig. [4] Ook voor het gebruik van grond in strijd met het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning nodig. [5]
10.2.
Om te beoordelen of de caravan op het perceel een bouwwerk betreft kijkt de rechtbank naar de daarover geldende rechtspraak. Het begrip bouwwerk is namelijk in de Wabo als zodanig niet omschreven. Voor de uitleg van het begrip bouwwerk in de Wabo kan daarom aansluiting worden gezocht bij de definitie van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze definitie luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". [6]
10.3.
Om te beoordelen of het gebruik van het perceel door het stallen van de caravan, oplegger en aanhangwagen in strijd is met het bestemmingsplan, toets de rechtbank aan het geldende bestemmingsplan: Bestemmingsplan buitengebied 2018 van de gemeente Bergen (L). In het bestemmingsplan staat dat gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ mogen worden gebruikt voor onder meer ‘agrarisch grondgebruik’. [7] In het bestemmingsplan is ook uitgewerkt wat gebruik van de grond in strijd met het bestemmingsplan is. Het gebruik van de grond voor opslag van goederen in de openlucht is in strijd met het bestemmingsplan, behalve als dat inherent is aan gebruik van de grond in lijn met de bestemming. [8]
11. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Standpunten van partijen
12. Eiseres stelt dat er geen sprake is van een overtreding. De caravan is bedoeld als schuilhok voor mensen die aan het werk zijn op het perceel. Met de oplegger en aanhanger wil eiseres benodigdheden voor agrarisch gebruik naar het perceel brengen. Het plaatsen van de caravan en het stallen van de van de aanhanger en de oplegger zijn daarom niet in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan beperkt eiseres verder onrechtmatig in het gebruik van haar perceel. Daarnaast laat het bestemmingsplan meer toe aan bedrijven dan aan particulieren. Dat is in strijd met het discriminatieverbod.
13. Het college stelt dat voor de caravan een vergunning nodig is omdat de caravan moet worden gezien als een bouwwerk. Daarnaast is het stallen van de caravan, oplegger en aanhanger niet inherent aan het gebruik van de grond in lijn met de bestemming ‘agrarisch met waarden’. Ook daarom is een vergunning nodig.
Beoordeling
14. Het staat niet ter discussie tussen partijen dat de caravan al meerdere maanden op het perceel stond met de bedoeling om daar te blijven staan en gebruikt te worden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het college de caravan terecht als bouwwerk heeft aangemerkt. Dat betekent dat voor het geplaatst houden van de caravan in dit geval een vergunning vereist is. Omdat eiseres die vergunning niet heeft, heeft het college ten aanzien van de caravan terecht een overtreding vastgesteld van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo.
15. De rechtbank is verder van oordeel dat het gebruik van het perceel voor het stallen van de oplegger en aanhangwagen in strijd is met het bestemmingsplan. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat dit inherent is aan het agrarisch gebruik van de grond. Eiseres heeft en had geen agrarische activiteiten op het perceel. Eiseres heeft verder niet onderbouwd dat zij de oplegger en aanhanger wilde gebruiken om benodigdheden voor agrarisch gebruik naar het perceel te vervoeren. De stelling dat eiseres een inschrijving bij de kamer van koophandel heeft voor agrarische activiteiten, is daarvoor onvoldoende. Omdat eiseres geen vergunning heeft voor het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan is er sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo.
16. De rechtbank is verder van oordeel dat het bestemmingsplan en de last onder dwangsom niet in strijd zijn met Europees recht. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiseres genoemde (of andere) regelgeving en rechtspraak niet (onmiskenbaar) dat in het bestemmingsplan geen beperkingen aan het plaatsen van een caravan en het stallen van aanhangwagens, opleggers of andere voertuigen op een perceel mogen worden gesteld. Voor zover daarmee inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht, geldt dat het algemeen belang dat behartigd wordt in het bestemmingsplan, de goede ruimtelijke ordening, een belang is dat deze inbreuk rechtvaardigt. [9] Het bestemmingsplan is verder ook niet in strijd met het verbod op discriminatie. Eiseres wil de grond agrarisch gebruiken en in het bestemmingsplan wordt bij ‘agrarisch grondgebruik’ geen verschil gemaakt tussen particulier en bedrijfsmatig ‘agrarisch grondgebruik’. [10] Eiseres onderbouwt ook niet dat zij wel een caravan zou mogen plaatsen en een oplegger en aanhanger zou morgen stallen als zij de grond bedrijfsmatig zou gebruiken.
17. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat het college terecht twee overtredingen heeft vastgesteld. Het college heeft daarbij terecht overwogen dat er geen concreet zicht op legalisatie bestond en zich geen andere bijzondere omstandigheden voordeden op grond waarvan afgezien had moeten worden van handhaving. Eiseres heeft daarover ook niets aangevoerd. Het college was daarom bevoegd over te gaan tot het opleggen van de last onder dwangsom.
Te verstrekkende last
18. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een te verstrekkende last. Het is niet zo dat eiseres door de last het perceel niet meer op zou kunnen met opleggers, aanhangers of andere voertuigen om het land agrarisch te gebruiken. De last ziet expliciet op het (tijdelijk) stallen van opleggers, aanhanger en andere voertuigen in strijd met het bestemmingsplan .Het laden en lossen van zaken die eiseres nodig heeft om het perceel agrarisch te gebruiken is al niet in strijd met het bestemmingsplan omdat dat inherent is aan het agrarisch gebruik van het perceel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het gelijkheidsbeginsel
19. Eiseres stelt dat in de omgeving meerdere mensen voertuigen op hun grond stallen zonder dat het college daartegen optreedt. Ter zitting heeft eiseres een concreet geval genoemd; op een aangrenzend perceel zou al enige tijd een oude carnavalswagen gestald worden. Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
20. Uit vaste rechtspraak volgt dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen slaagt als het bestuursorgaan geen rechtvaardiging kan geven voor het maken van onderscheid tussen vergelijkbare gevallen en het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat er sprake is van gelijke gevallen. [11]
21. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De stelling dat bij andere percelen in de omgeving voertuigen gestald worden is daarvoor onvoldoende concreet en onderbouwt niet dat het om gelijke gevallen gaat waarbij niet gehandhaafd wordt. Ten aanzien van het concrete geval dat eiseres op zitting heeft aangedragen – de carnavalswagen – houdt de rechtbank het er voor dat dit ook geen gelijk geval is nu niet is gebleken dat het stallen van die carnavalswagen in strijd is met de voor dat betreffende perceel geldende bestemming, het college daarvan op de hoogte was en anders dan in het geval van eiseres van handhaving heeft afgezien. Omdat eiseres dit geval pas ter zitting heeft benoemd, kon het college dit niet onderzoeken en daar adequaat op reageren. De rechtbank laat dit argument daarom wegens strijd met de goede procesorde verder buiten beschouwing.
Prejudiciële vragen
22. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat het bestemmingsplan en de last onder dwangsom niet in strijd zijn met Europees recht. Voor de beoordeling van die vragen is het niet nodig om verdere uitleg te vragen van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Schadevergoeding en compensatie
23. Een belanghebbende kan de bestuursrechter op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb om een schadevergoeding verzoeken voor schade die zij heeft geleden naar aanleiding van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen.
24. Eiseres heeft verzocht om compensatie voor haarzelf en voor haar schoonzoon die eigenaar van een auto zou zijn die op het perceel stond. Eiseres stelt dat de compensatie gelijk moet zijn aan het sanctiebedrag vermenigvuldigd met het aantal dagen vanaf 11 oktober 1909, de dag waarop het nationale recht op dit punt niet in strijd had mogen zijn met het Europese recht maar dat volgens eiseres wel is.
25. De rechtbank begrijpt het verzoek van eiseres om compensatie (ook) als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat geen van de gevallen in artikel 8:88 vanPro de Awb zich in dit geval voordoet en wijst het verzoek daarom af. De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat de last onder dwangsom niet onrechtmatig is. Er is daarmee geen sprake van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandeling als gevolg waarvan eiseres schade heeft geleden. Daarnaast kan eiseres op grond van artikel 8:88 vanPro de Awb geen schadevergoeding verzoeken voor haar schoonzoon. Het moet gaan om schade die eiseres zelf geleden heeft. De rechtbank – bestuursrechter – is niet bevoegd eiseres op een andere grondslag de gevraagde compensatie toe te kennen. Eiseres kan zich daarvoor tot de burgerlijk rechter wenden. [12]
Overschrijding van de redelijke termijn
26. Eiseres heeft een vergoeding verzocht wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM.
27. In deze zaak is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM mag in dat geval maximaal twee jaar duren. De behandeling van het bezwaar mag in beginsel ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Het uitgangspunt is dat een schadevergoeding wordt toegekend van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden
28. Het college heeft het bezwaarschrift van eiseres op 16 juli 2022 ontvangen. Vanaf dat moment tot deze uitspraak is ongeveer drie jaar en negen maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer één jaar en negen maanden. Eiseres heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 2.000,-. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, veroordeelt de rechtbank de Staat der Nederlanden tot het vergoeden van dit bedrag.
Overige verzoeken
29. Eiseres heeft in beroep een aanvullende algemene motivering ingediend waar ook een aantal verzoeken in zijn opgenomen. Eiseres verzoekt om de gevraagde voorzieningen toe te wijzen. Dit is in deze zaak al niet aan de orde omdat eiseres in beroep niet om voorzieningen verzocht heeft. Eiseres verzoekt verder antwoorden op prejudiciële vragen die een afwijzing van haar verzoeken onderbouwen ter hand te stellen en bij weigering daarvan een procedure te starten om de afwijzende rechter uit zijn ambt te zetten. De Awb bevat echter geen grondslag voor een dergelijk verzoek en de rechtbank is daarom niet bevoegd daarover te beslissen. De rechtbank zal daarom niet verder ingaan op deze verzoeken.
Conclusie en gevolgen
30. Het beroep is ongegrond. Het college is terecht overgaan tot het opleggen van de last onder dwangsom. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de last onder dwangsom blijft in stand.
31. Eiseres krijgt een schadevergoeding van € 2.000,- omdat de redelijke termijn geschonden is. Voor het overige wijst de rechtbank eiseres verzoek tot schadevergoeding af.
32. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiseres van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,-;
wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van F.G.A. Claessen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Bestemmingsplan buitengebied 2018 van de gemeente Bergen (L)
5.1.1
Algemeen
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
behoud en herstel van de aan het gebied eigen zijnde landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
reële agrarische bedrijven met bijbehorende voorzieningen, waarbij geldt dat:
1. veehouderijen uitsluitend zijn toegestaan op locaties zoals vermeld in bijlage 2 met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' een intensieve veehouderij is toegestaan;
2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' een glastuinbouwbedrijf is toegestaan;
3. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - productiegerichte paardenhouderij' een productiegerichte paardenhouderij is toegestaan;
agrarisch grondgebruik;
beweiden van grasland;
een boerderijwinkel tot een oppervlak van maximaal 30 m2;
bedrijfswoningen met bijbehorend erf en tuin;
aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen;
aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, met de daarbij behorende voorzieningen;
ondergeschikte horeca uit categorie 1 tot een oppervlak van maximaal 30 m², alsmede een terras tot een oppervlak van maximaal 30 m2;
landschappelijke inpassing en instandhouding voor zover sprake is van een van de locaties zoals genoemd in artikel 53.2 en overeenkomstig de in dat artikel genoemde inpassingsplannen;
extensief (dag)recreatief medegebruik;
groenvoorzieningen en water;
paden en wegen;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
behoud en herstel van elementen met cultuurhistorische waarde zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 6 bij deze regels opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden en omschreven in de in de bijlagen 6 a en b bij deze regels opgenomen Tabel Cultuurhistorische waarden, waarbij het bepaalde in artikel 58.1 van toepassing is;
behoud en herstel van elementen met landschappelijke waarde zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 7 bij deze regels opgenomen Kaart Landschappelijke waarden, waarbij het bepaalde in artikel 58.2 van toepassing is.
42.1
Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval verstaan:
het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie, tenzij de gronden de bestemming 'Cultuur en Ontspanning - Seksinrichting' hebben;
het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens als coffeeshop;
het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, tenzij dit op grond van de bestemming is toegestaan;
het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
het inpandig of in de openlucht opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
het inpandig of in de openlucht opslaan en/of opgeslagen houden van goederen behoudens voor zover inherent is aan het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor tijdelijke of permanente bewoning, tenzij dit op grond van de bestemming is toegestaan.
et innemen van een ligplaats met een vaartuig, waarbij ter plaatse sprake is van horeca-activiteiten, of met een vaartuig dat gebruikt wordt ten behoeve van een seksinrichting of prostitutie.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
Artikel 6. Recht op een eerlijk proces
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
2.Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (De Afdeling) 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844.
3.Omdat de last onder dwangsom is opgelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht dat gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing. Dat is in dit geval de Wabo.
4.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo
5.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.