Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3414

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
ROE 24/3028, ROE 24/3576 en ROE 24/3788
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:6 AwbArt. 4.1 WooArt. 4.2a WooArt. 4.6 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluiten college over drie Woo-verzoeken wegens onterechte afwijzing en misbruikverdenking

Eiseres diende drie afzonderlijke Woo-verzoeken in bij het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul, gericht op openbaarmaking van informatie over een specifiek pand en de ruimtelijke ontwikkeling daarvan over verschillende periodes. Het college wees twee verzoeken af en nam het derde niet in behandeling wegens vermeend misbruik van de Woo.

De rechtbank oordeelt dat het eerste verzoek ten onrechte niet als Woo-verzoek werd aangemerkt en dat het tweede verzoek onterecht als herhaalde aanvraag werd bestempeld, omdat er geen eerdere inhoudelijke beslissing was genomen. Ook is niet gebleken van misbruik van de Woo door eiseres, ondanks het standpunt van het college dat de verzoeken omvangrijk en bedoeld waren om het gemeentelijk apparaat te frustreren.

De rechtbank benadrukt dat het recht op informatieverzoeken niet beperkt mag worden zonder gegronde redenen en dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van misbruik. De bestreden besluiten worden vernietigd en het college wordt opgedragen binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij de verzoeken eventueel gezamenlijk kunnen worden behandeld. Tevens moet het college het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van het college en beveelt heroverweging van de drie Woo-verzoeken binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 24/3028, 24/3576 en 24/3788

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

Klooster Boslust B.V., uit Loenen aan de Vecht, eiseres

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul
(gemachtigde: mr. Meertens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over drie verschillende verzoeken van eiseres op grond van de Wet open overheid (Woo). Het college heeft twee Woo-verzoeken afgewezen en een derde verzoek buiten behandeling gesteld wegens misbruik van de Woo. Eiseres is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het eerste verzoek ten onrechte niet als een Woo-verzoek heeft aangemerkt. Als gevolg daarvan heeft het college het tweede verzoek ten onrechte als een herhaalde aanvraag gekwalificeerd. Bovendien zag dit tweede verzoek op een andere periode. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van misbruik van de Woo, waardoor het besluit om het derde verzoek niet in behandeling te nemen evenmin standhoudt. Eiseres krijgt gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op respectievelijk 7 september 2023, 23 november 2023 en 25 januari 2024 verschillende verzoeken om openbaarmaking van stukken ingediend bij het college. In het eerste verzoek vraagt eiseres om alle informatie over het gebruik van het (voormalige) klooster aan de [adres] in [plaats] (hierna: het pand) vanaf 2019 en om alle stukken die gaan over de ruimtelijke ontwikkeling en planologische situatie voor het betreffende perceel vanaf 2015. Het tweede verzoek heeft betrekking op informatie over het pand vanaf 2018, en ook hier vraagt eiseres om stukken over de ruimtelijke ontwikkeling en de planologische situatie vanaf 2015. In het derde verzoek vraagt eiseres om openbaarmaking van alle informatie over het feitelijk en planologisch toegestane of voorgenomen gebruik, ruimtelijke ontwikkeling(en) en planologische situatie van het pand in de periode van 2008 tot 2018.
4. De eerste twee verzoeken heeft het college afgewezen bij besluiten van
16 oktober 2023 en 20 december 2023. Met de beslissing op bezwaar van 2 april 2024 en
28 mei 2024 is het college afgeweken van het ter zake gegeven advies van de commissie bezwaarschriften en is het college bij die afwijzingen gebleven. Het derde verzoek heeft het college bij besluit van 9 februari 2024 niet in behandeling genomen. Ook deze beslissing heeft het college gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2024.
5. De rechtbank heeft de drie beroepen op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens eiseres:
[naam] en de gemachtigde van het college.
6. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten partijen
7. Het college stelt zich op de volgende standpunten ten aanzien van de drie verzoeken.
7.1.
Het eerste verzoek kan niet als een Woo-verzoek worden aangemerkt omdat het betrekking heeft op stukken uit lopende procedures. Voor zover documenten uit een eerdere periode zijn gevraagd, zijn die volgens het college niet aanwezig, omdat de vorige eigenaar van het pand geen relevante activiteiten heeft verricht. Daarnaast wijst het college erop dat eiseres in haar verzoek heeft aangegeven dat bepaalde stukken niet openbaar hoeven te worden gemaakt, waaruit volgens het college blijkt dat de verzoek niet is gericht op openbaarmaking. In de beslissing op bezwaar van 2 april 2024 stelt het college zich subsidiair op het standpunt dat, mocht het verzoek toch als een Woo-verzoek worden aangemerkt, er sprake is van misbruik van de Woo. Het college heeft het eerste verzoek daarom afgewezen.
7.2.
Het college beschouwt het tweede verzoek als een herhaalde aanvraag omdat het gelijkluidend is aan het eerste verzoek waarop al inhoudelijk is beslist. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. Voor zover het verzoek ziet op een andere periode dan het eerste verzoek, stelt het college zich op het standpunt dat sprake is van misbruik van de Woo. Om deze reden is ook het tweede verzoek afgewezen.
7.3.
Met het derde verzoek maakt eiseres misbruik van de Woo. Volgens het college zijn de verzoeken omvangrijk, grotendeels hetzelfde en bedoeld om het gemeentelijk apparaat te frustreren. Eiseres heeft bijvoorbeeld niet meegewerkt aan overleg of verduidelijking van haar verzoek. Ook heeft eiseres geen gebruik gemaakt van het aanbod om stukken in te zien. Om die reden heeft het college het derde verzoek niet in behandeling genomen.
8. Eiseres stelt dat zij drie afzonderlijke en tevens van elkaar verschillende Woo-verzoeken heeft ingediend, waarbij in elk verzoek expliciet is gevraagd om openbaarmaking van informatie over bestuurlijke aangelegenheden. Daarbij is steeds duidelijk gemaakt dat het verzoek is gebaseerd op de Woo. Eiseres stelt verder dat niet uitsluitend stukken zijn gevraagd die betrekking hebben op lopende procedures. Deze stukken zijn juist uitgesloten van de verzoeken. Ten aanzien van het tweede verzoek voert eiseres nog specifiek aan dat dit niet als een herhaalde aanvraag kan worden beschouwd omdat op het eerste verzoek geen inhoudelijk afwijzend besluit is genomen. Tot slot betoogt eiseres dat geen sprake is van misbruik van de Woo. De verzoeken zijn uitsluitend ingediend met het doel om informatie van het college te verkrijgen over bestuurlijke aangelegenheden.
Het eerste verzoek: is sprake van een Woo-verzoek?
9. In geschil is de vraag of het college terecht heeft geconcludeerd dat het eerste verzoek van eiseres geen Woo-verzoek is.
10. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak de hoofdregel is dat wanneer iemand met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) – de voorganger van de Woo – een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Dat is niet veranderd door inwerkingtreding van de Woo en geldt dus ook voor verzoeken die zijn gebaseerd op die wet. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijke belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Woo-verzoek. Een uitzondering op de hoofdregel doet zich voor als uit i) de aard van het verzoek, ii) de inhoud van het verzoek of iii) uitlatingen van de verzoeker, blijkt dat de verzoeker geen Woo-verzoek heeft beoogd in te dienen. Bij uitzondering i) kan worden gedacht aan het geval dat iemand inzage in zijn dossier of in zijn persoonsgegevens vraagt. Uitzondering ii) ziet op situaties waarin iemand bijvoorbeeld vraagt om informatie, vragen stelt of alleen om toezending van de stukken vraagt in een procedure waarin hij belanghebbende is. Bij uitzondering iii) kan worden gedacht aan de situatie waarin de verzoeker aangeeft dat hij niet wil dat de informatie openbaar wordt gemaakt, maar alleen aan hem wordt verstrekt. Het is aan het bestuursorgaan om, wanneer een beroep op de Woo wordt gedaan, te motiveren dat sprake is van een van deze uitzonderingen op de hoofdregel. [1]
11. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar verzoek om informatie bij het college uitdrukkelijk in het kader van de Woo heeft gedaan. In het verzoek van
7 september 2023 wordt namelijk verzocht om publieke informatie op grond van de Woo. Op grond van de hoofdregel is dit verzoek daarom te kwalificeren als Woo-verzoek. De rechtbank stelt verder vast dat het verzoek niet uitsluitend ziet op documenten uit de procedure(s) waarin eiseres direct betrokken is. Dit alleen al omdat het verzoek zich uitstrekt over een langere periode. Het standpunt van het college dat geen sprake is van een Woo-verzoek omdat er over een bepaalde periode geen documenten zouden bestaan, houdt geen stand. Voor de kwalificatie van een verzoek als Woo-verzoek is immers niet bepalend of daadwerkelijk documenten aanwezig zijn. Doorslaggevend is of wordt verzocht om openbaarmaking van informatie die is neergelegd in documenten waarover het bestuursorgaan beschikt of geacht wordt te beschikken. Dat een zoekslag – waarvan overigens niet is gebleken dat het college deze heeft verricht – mogelijk geen documenten oplevert, doet daarom niet af aan het karakter van het verzoek als een Woo-verzoek. Als er geen documenten beschikbaar zijn, moet het college dit in het besluit op het Woo-verzoek kenbaar maken. Daarbij moet het college motiveren dat het naar aanleiding van het verzoek een zorgvuldige zoekslag heeft verricht binnen de daarvoor in aanmerking komende systemen en archieven en dat dit geen documenten heeft opgeleverd die onder de reikwijdte van het verzoek vallen.
12. De rechtbank komt, gezien het voorgaande, tot het oordeel dat het eerste verzoek van eiseres een verzoek is op grond van de Woo.
Het tweede verzoek: afwijzing op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb
13. Niet in geschil is dat het tweede verzoek een Woo-verzoek is. Het college heeft het tweede verzoek afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat artikel kan slechts worden toegepast indien sprake is van een herhaalde aanvraag waarop eerder inhoudelijk is beslist. Daarvan is hier geen sprake. Het college heeft zich immers op het standpunt gesteld dat het eerste verzoek geen Woo-verzoek was en heeft dat verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Indien dat standpunt zou worden gevolgd dan is de reactie op een dergelijk verzoek geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, tenzij voor de beslissing op dat verzoek een andere wettelijke grondslag bestaat. [2] Reeds daarom is geen sprake van een eerdere aanvraag waarop is beslist, zodat artikel 4:6 van Pro de Awb toepassing mist. Het pas in de beslissing op bezwaar over het eerste verzoek ingenomen secundaire standpunt dat, als wel sprake is van een Woo-verzoek, sprake is van misbruik van recht is evenmin een inhoudelijk oordeel. Het oordeel van de rechtbank dat het eerste verzoek ten onrechte niet als Woo-verzoek is aangemerkt, maakt voor de conclusie dat een eerdere inhoudelijke beoordeling ontbreekt en artikel 4:6 van Pro de Awb ten onrechte is toegepast geen verschil.
Het eerste, tweede en derde verzoek: misbruik van recht
14. Het college gaat bij alle drie de verzoeken – bij het eerste verzoek als secundair standpunt, bij het tweede verzoek voor een bepaalde periode en bij het derde verzoek ten aanzien van het gehele verzoek – uit van misbruik van de Woo door eiseres en gebruikt daarvoor dezelfde feiten, omstandigheden en juridische argumenten.
15. Het recht om een verzoek om informatie in te dienen, kan worden misbruikt. Dit is in de rechtspraak reeds onder de Wob tot uitdrukking gekomen en is in de Woo vastgelegd in artikel 4.6. [3] Op grond van dit artikel kan een verzoek buiten behandeling worden gesteld wanneer de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Daartoe kan het bestuursorgaan overgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Het is aan het bestuursorgaan dat toepassing wil geven aan de antimisbruikbepaling om aannemelijk te maken dat daadwerkelijk sprake is van misbruik.
16. De rechtbank stelt vast dat eiseres drie aparte verzoeken heeft ingediend die betrekking hebben op één specifiek perceel en op een duidelijk afgebakende periode. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verzoeken niet zo omvangrijk of complex dat het college daardoor onredelijk wordt belast. Het enkele feit dat tussen eiseres en het college meerdere procedures lopen, betekent niet dat sprake is van misbruik van de Woo. Uit vaste rechtspraak blijkt dat een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht oplevert. [4] Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal keren dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. In dit geval zijn de lopende procedures het gevolg van door het college genomen besluiten, waartegen eiseres zich verweert. Dit valt binnen haar rechten en levert geen aanwijzing op voor misbruik. Verder oordeelt de rechtbank dat het niet willen overleggen over de afhandeling van de verzoeken geen reden is om misbruik aan te nemen. Op grond van artikel 4.2a van de Woo rust de overlegverplichting bij omvangrijke Woo-verzoeken uitsluitend op het bestuursorgaan (hier het college). Het college moet in overleg treden met eiseres over de volgorde van afhandeling, maar eiseres is niet verplicht om aan dit overleg deel te nemen. Artikel 4.2a van de Woo formuleert namelijk alleen een plicht voor het bestuursorgaan. Deze bepaling legt geen verplichting op voor de indiener van het Woo-verzoek om in overleg te treden. Verder oordeelt de rechtbank dat indien het college meent dat het verzoek onvoldoende is gespecificeerd, het op de weg van het college had gelegen om het verzoek op die grond niet in behandeling te nemen, conform de wettelijke procedure. [5] Nu dit niet is gebeurd, kan onvoldoende specificering niet alsnog als misbruik van de Woo worden aangemerkt. Tot slot voorziet de Woo niet in de mogelijkheid de openbaarmaking van informatie te weigeren op de enkele grond dat voldoen aan het verzoek veel werk met zich brengt. [6]
17. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van misbruik als bedoeld artikel 4.6 van de Woo.

Conclusie en gevolgen

18. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. De beroepen zijn daarom gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten.
19. De rechtbank kan de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten niet in stand laten of zelf in de zaak voorzien. Ook acht de rechtbank het niet doelmatig om een bestuurlijke lus toe te passen. Het college wordt opgedragen om in het kader van de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar de beslissingen op alle drie de Woo-verzoeken te heroverwegen, met inachtneming van deze uitspraak. Hiervoor krijgt het college zes weken de tijd.
20. Het college kan er daarbij voor kiezen om een integraal besluit te nemen waarin de drie Woo-verzoeken gezamenlijk worden behandeld, mits in dit besluit volledig wordt beslist op alle onderdelen van de drie verzoeken. Het college dient er dan voor te zorgen dat in het nieuwe besluit duidelijk en volledig wordt ingegaan op hetgeen in elk van de drie verzoeken wordt gevraagd.
21. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het in elk van de drie zaken betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten in beroep (waarbij de zaken als samenhangende zaken worden aangemerkt). Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door de gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-, met een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
22. Bij de nieuw te nemen beslissing(en) op bezwaar moet het college beslissen op het in de bezwaarfase gedane verzoek om vergoeding van de in die fase gemaakte kosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen in de zaken 24/3028, 24/3576 en 24/3788 gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 2 april 2024, 28 mei 2024 en 18 juni 2024;
- draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 1.113,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. J.R.N. Crombaghs, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026
de griffier is verhinderd
voorzitter
deze uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
(…)
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wet open overheid
Artikel 4.1. Verzoek
1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
(…)
5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
6. Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
(…)
Artikel 4.2a. Overleg tussen bestuursorgaan en verzoeker
Indien een voldoende gespecificeerd verzoek zodanig omvangrijk is dat niet binnen de termijn van artikel 4.4, eerste lid, kan worden beslist, treedt het bestuursorgaan voor het einde van die termijn in overleg met de verzoeker over de prioritering van de afhandeling van het verzoek. Het bestuursorgaan verstrekt de gevraagde documenten zo veel mogelijk in de door de verzoeker gewenste volgorde.
Artikel 4.6. Antimisbruikbepaling
Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
2.Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij een verzoek om kennisneming van persoonsgegevens, zie de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, r.o. 5.4.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135, en 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3580 en ECLI:NL:RVS:2017:3581.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403, r.o. 5.3.
5.Zie hiervoor artikel 4.1, vijfde en zesde lid, van de Woo.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:27, r.o. 7.