Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Wij, verbalisanten, zagen dat het verkeerslicht op groen sprong en dat voornoemd voertuig snel optrok. (…) Om te kijken hoe hard voornoemd voortuig reed, reed ik, verbalisant [naam] achter voornoemd voertuig aan. (…) Komende bij de afslag naar het retailpark Sittard-Geleen, zoals later bleek ter hoogte van hm-paal 1.7, zagen wij, verbalisanten, dat de boordsnelheid op het digitale dashboard van ons voertuig 150 km/u aangaf, aangeduid met cijfers. (…) Wij zagen dat de onderlinge afstand tussen voornoemd voertuig en ons dienstvoertuig gelijk dan wel nagenoeg gelijk bleef.(…)
Ik, verbalisant [naam], hoorde dat de verdachte zei dat hij een politie collega is en dat hij door zijn PTSS soms getriggerd wordt en dat hij hierdoor harder kan gaan rijden. (…) Ik, verbalisant [naam], hoorde dat de verdachte zei dat hij door triggers van deze PTSS soms harder in het verkeer rijdt.(…) Bij nader onderzoek in de politiële systemen bleek dat de verdachte [eiser] in het verleden al 2 maal eerder betrokken was bij verkeers- en snelheid gerelateerde meldingen.”
“(Deze verklaring is letterlijk overgenomen van een verklaring op papier door verdachte) Ik verklaar het volgende: “
Ik weet niet of ik zo hard had gereden. Ik had een trigger en reed iets harder.” Nadat de verdachte de verklaring had doorgelezen, verklaarde de verdachte in te stemmen met de verklaring en ondertekende deze in concept”. Deze verklaring van eiser is opgenomen in het proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 11 juli 2024. Uit deze verklaring van eiser, die is afgegeven kort na de gebeurtenissen, leidt de rechtbank af dat eiser al last had van een trigger voordat hij staande werd gehouden door een onherkenbaar dienstvoertuig. Daarmee bestaat al reden om te vermoeden dat de rijgeschiktheid van eiser in het geding is, waarbij de rechtbank opmerkt dat het opleggen van het onderzoek een bestuursrechtelijke maatregel is die erop is gericht om de verkeersveiligheid te waarborgen. De mate van de snelheidsovertreding, wat daar ook van zij, doet aan het voorstaande niet af. Het staat immers, gelet op de eigen verklaring van eiser, buiten twijfel dat een snelheidsovertreding heeft plaatsgevonden waarvan het vermoeden bestaat dat deze een verband houdt tot de PTSS van eiser. Aan eiser wordt verder geen onderzoek opgelegd naar zijn rijvaardigheid, maar naar de rijgeschiktheid. Ten slotte maakt ook de omstandigheid dat eiser een werkconflict heeft gehad met de opsteller van de mededeling het voorgaande niet anders. De verklaringen van eiser die het vermoeden rechtvaardigen vloeien namelijk voort uit enerzijds processen-verbaal die zijn opgemaakt op ambtsbelofte door andere verbalisanten en anderzijds uit een eigen op papier geschreven verklaring. Gelet op het voorstaande had het CBR aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid mogen opleggen. Het beroep met zaaknummer ROE 25/296 is daarom ongegrond.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep met zaaknummer ROE 25/296 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer ROE 25/2014 niet-ontvankelijk.