Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3257

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
ROE 25/2580
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 AwbArt. 130 Wvw 1994Art. 131 Wvw 1994Art. 132 Wvw 1994Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 Art. 9
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens onvoldoende bewijs bezorging oproep EMG

Eiser kreeg een Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) opgelegd na afwijkend rijgedrag en werd opgeroepen voor een cursus. Het CBR verklaarde zijn rijbewijs ongeldig omdat hij niet verscheen. Eiser betwistte ontvangst van de oproep en stelde schade te hebben geleden door het niet mogen rijden.

De rechtbank oordeelde dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de oproep per niet-aangetekende post, aangetekende post of elektronisch correct bij eiser is bezorgd. Track&Trace gegevens toonden geen afhaalbericht en er was geen bewijs van correcte digitale verzending.

Eiser maakte aannemelijk dat hij schade had geleden doordat hij als bezorger tijdelijk niet kon werken. De rechtbank stelde vast dat eiser procesbelang had en vernietigde het bestreden besluit. Het primaire besluit werd ambtshalve herroepen en het CBR werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de ongeldigverklaring van het rijbewijs en herroept het primaire besluit vanwege onvoldoende bewijs van correcte bezorging van de oproep.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2580

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.D. Bouman),
en

CBR divisie Rijgeschiktheid

(gemachtigde: mr. J. Kwant).

Samenvatting

1. Het CBR heeft eisers rijbewijs ongeldig verklaard omdat hij geen medewerking heeft verleend aan de aan hem opgelegde Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG). Deze zaak gaat over de vraag of de oproep voor de EMG eiser bereikt heeft en terecht gesteld kan worden dat eiser geen medewerking heeft verleend door niet te verschijnen. Eiser stelt van niet en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of het besluit eisers bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren stand kan houden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het CBR heeft niet aannemelijk gemaakt dat de oproep voor de EMG-cursus bij eiser bezorgd is, althans dat die op regelmatige wijze aan eiser is aangeboden. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 18 september 2024 is bij eiser afwijkend gedrag als bestuurder van een motorvoertuig vastgesteld. Op 15 oktober 2024 heeft het CBR naar aanleiding daarvan aan eiser een EMG opgelegd. Op 8 september 2025 heeft het CBR eisers rijbewijs ongeldig verklaard omdat hij zonder geldige reden niet verschenen is bij de EMG-cursus (het primaire besluit).
3. Eiser heeft hangende het bezwaar om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek op 6 oktober 2025 toegewezen en de ongeldigverklaring van het rijbewijs geschorst tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar (de voorlopige voorziening). [1]
4. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 heeft het CBR het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Het CBR herroept het primaire besluit wel ambtshalve en stelt de ongeldigverklaring van het rijbewijs geschorst te laten.
4.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. G. De Leest waarnemend voor de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

5. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Waar gaat deze zaak over en wat vinden partijen?
6. Het CBR heeft eiser een EMG opgelegd nadat hij bij een politieachtervolging afwijkend rijgedrag had vertoond. Het CBR heeft eiser vervolgens uitgenodigd zijn cursus in te plannen. Nadat hij daar niet op gereageerd heeft, heeft het CBR de cursus voor hem ingepland met 28 juni 2025 als startdatum. Eiser is op die dag niet verschenen en heeft zich ziek gemeld. Op 8 juli 2025 heeft het CBR eiser een brief gestuurd waarin hem de mogelijkheid werd geboden tot 15 juli 2025 een nieuwe cursus in te plannen. Omdat eiser opnieuw niet reageerde heeft het CBR op 17 juli 2025 zelf een nieuwe cursus gepland met als startdatum 2 september 2025. Het CBR heeft hem daarvoor per brief opgeroepen (de oproep). Deze brief is volgens het CBR zowel per aangetekende post als per gewone post verzonden en daarnaast digitaal aangeboden. Eiser is ook op deze cursus niet verschenen. Op 4 september 2025 heeft hij contact opgenomen met het CBR. Uit de door het CBR overgelegde telefoonnotitie en de e-mail van eiser aan het CBR van 5 september 2025 volgt dat eiser belde om de cursus in te plannen. Eiser heeft hierna per e-mail aangegeven dat hij de oproep voor de cursus niet heeft ontvangen en dat hij bovendien niet had kunnen komen die dag omdat hij school had. Het CBR gaf daarop aan dat het de oproep aan eiser heeft verstuurd en dat ze school niet als geldige reden ziet voor afwezigheid. Het CBR heeft daarom eisers rijbewijs op 8 september 2025 ongeldig verklaard omdat hij niet heeft meegewerkt aan zijn EMG.
7. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 oktober 2025 een voorlopig oordeel gegeven. De voorzieningenrechter heeft – kort samengevat – geoordeeld dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de oproep bij eiser bezorgd is met de niet-aangetekende post of regelmatig is aangeboden met de aangetekende post. Het CBR heeft geen verzendadministratie overgelegd voor de niet aangetekende post en uit de Track&Trace gegevens blijkt niet dat PostNL, nadat bezorging bij eiser niet gelukt is, een afhaalbericht heeft achtergelaten. De voorzieningenrechter heeft daarom de ongeldigverklaring van het rijbewijs opgeschort tot twee weken na de (op dat moment nog te nemen) beslissing op bezwaar. [2]
8. Volgens het CBR is de oproep op correcte wijze bij eiser aangeboden. Uit de PostNL-gegevens blijkt dat eiser in kennis is gesteld dat hij de oproep bij het PostNL-punt moest ophalen. Verder heeft het CBR de oproep ook gezet in eisers ‘MijnCBR’, eisers persoonlijke digitale omgeving bij het CBR.
9. Eiser stelt dat hij heeft de oproep nooit heeft gehad. Door het bezwaar onterecht ongegrond te verklaren kan eiser geen schadevergoeding verzoeken en heeft het CBR eiser onterecht geen proceskostenvergoeding toegekend.
Procesbelang
10. De rechtbank ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft. Het CBR heeft het primaire besluit namelijk ambtshalve herroepen. Eiser heeft daarnaast inmiddels de EMG-cursus succesvol afgerond.
11. Als eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep (procesbelang) dan is het beroep niet-ontvankelijk. Om te beoordelen of eiser een procesbelang heeft kijkt de rechtbank of eiser met het beroep nog kan bereiken wat hij met het beroep wil bereiken en of dat voor hem van feitelijke betekenis is. Een principieel belang alleen levert geen procesbelang op. [3] Echter een procesbelang kan ook bestaan als eiser schadevergoeding wil vorderen en het daarvoor van belang is om vast te stellen dat er sprake is van een onrechtmatig besluit. Om op basis daarvan procesbelang aan te nemen is het nodig dat het tot op zekere hoogte aannemelijk is dat eiser schade heeft geleden ten gevolge van het besluit. [4]
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft. Eiser heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de besluitvorming. Eiser heeft ongeveer vier weken niet mogen rijden. Dat ziet op de periode tussen het primaire besluit en de uitspraak van de voorzieningenrechter. Eiser werkt als ZZP’er als bezorger en gebruikt voor dat werk zijn auto. Eiser heeft stukken overgelegd om te onderbouwen dat hij werk heeft misgelopen omdat hij tijdelijk niet beschikte over een geldig rijbewijs. Bij die stukken zit ook een Whatsappgesprek waarin eiser aangeeft graag een bepaalde aangeboden klus te doen maar dat hij niet beschikt over privévervoer waardoor hij eerder moet vertrekken. De potentiële opdrachtgever heeft daarop aangegeven dat dit niet mogelijk is en dat hij opzoek is naar mensen die een hele dienst kunnen werken. Met die stukken maakt eiser tenminste tot op zekere hoogte aannemelijk dat hij werk heeft misgelopen door het niet mogen rijden in die periode en dus schade heeft geleden in de vorm van gemiste inkomsten. De stelling van het CBR dat eiser de schade niet concreet heeft gemaakt doet daar niet aan af. Verdere concretisering dan door eiser is gegeven is niet nodig om tot op zeker hoogte aannemelijk te maken dat eiser schade heeft geleden ten gevolge van het besluit.
Het inhoudelijke oordeel van de rechtbank
13. In de kern gaat het in deze zaak over de vraag of eiser de oproep van 17 juli 2025 voor de cursus op 2 september 2026 heeft ontvangen. Het is in beginsel aan het CBR om aannemelijk te maken dat de oproep bij eiser is bezorgd of regelmatig is aangeboden. Het CBR stelt dat de oproep op drie manieren bezorgd is; aangetekende post, niet-aangetekende post en elektronisch. De rechtbank beoordeelt hieronder of het CBR daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat de oproep bij eiser bezorgd is of regelmatig is aangeboden.
De niet-aangetekende post
14. Wanneer een geadresseerde stelt dat hij, zoals eiser in deze zaak, een brief die met niet-aangetekende post is verstuurd niet heeft gekregen, is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de brief wel op het adres van geadresseerde is ontvangen. [5]
15. De rechtbank is van oordeel dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de per niet-aangetekende post verstuurde oproep bij eiser bezorgd is. De rechtbank stelt vast dat het CBR in beroep geen bewijs heeft ingebracht om aannemelijk te maken dat de niet-aangetekende verstuurde oproep correct bij eiser is aangekomen. Zeker gelet op de bekende recente problemen rondom de bezorgen van (aangetekende) post bij PostNL, [6] zijn de stellingen dat de brief niet retour is gekomen en andere brieven wel ontvangen zijn daarvoor niet voldoende.
De aangetekende post
16. Bij aangetekende post geldt dat als een geadresseerde de ontvangst van de post ontkent onderzocht moet worden of PostNL de post op regelmatige wijze heeft aangeboden. Als blijkt dat de post is uitgereikt of een afhaalbericht is achtergelaten of elektronisch is verstuurd, dan ontstaat er een vermoeden dat de post op regelmatige wijze is aangeboden. Het is dan aan de geadresseerde om dat vermoeden te ontzenuwen.
17. De rechtbank stelt vast dat uit de Track&Trace gegevens blijkt dat PostNL de aangetekend verstuurde oproep niet heeft kunnen uitreiken op het adres van eiser. Ook volgt eruit dat PostNL de aangetekend verstuurde oproep naar een PostNL-punt heeft gebracht en dat deze is teruggestuurd naar het CBR nadat deze niet is opgehaald. Er blijkt echter niet uit de Track&Trace gegevens of andere stukken dat er een afhaalbericht is achtergelaten. Ook blijkt niet dat eiser op een andere manier – zoals per e-mail of app – in kennis is gesteld dat hij de oproep moest afhalen bij het PostNL-punt. Daarom is, mede gelet op de bekende problemen bij PostNL, niet aannemelijk gemaakt dat er een fysiek of elektronisch afhaalbericht bij eiser is achtergelaten. De rechtbank oordeelt op grond daarvan dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetekende post op regelmatige wijze bij eiser is aangeboden.
De plaatsing van de brief in MijnCBR
18. Op basis van artikel 2:8, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag een bestuursorgaan elektronisch communiceren als de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt elektronisch voldoende bereikbaar te zijn. Ook voor elektronische communicatie geldt dat wanneer een geadresseerde ontkent een elektronisch verstuurd bericht te hebben ontvangen, het aan het bestuursorgaan is om in eerste instantie aannemelijk te maken dat het elektronische bericht correct verstuurd is.
19. Het CBR heeft onweersproken gesteld dat eisers communicatievoorkeur bij het CBR als ‘digitaal’ is gemeld. De rechtbank is echter van oordeel dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat het de oproep ook daadwerkelijk elektronisch correct verstuurd heeft. Het CBR heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd om dit te onderbouwen. De stelling van het CBR dat het niet in eisers MijnCBR zou mogen kijken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verandert het oordeel van de rechtbank niet. Die stelling verandert niet dat het aan het CBR is om aannemelijk te maken dat het de oproep correct (digitaal) aan eiser verstuurd heeft en dat het CBR daarvoor geen onderbouwing levert. De beroepsgrond van eiser slaagt.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gegrond. Het CBR heeft niet aannemelijk gemaakt dat de oproep correct bij eiser is bezorgd of op regelmatige wijze is aangeboden. Daarom mocht het CBR er niet van uitgaan dat eiser op de hoogte was van de cursus op 2 september 2025 en heeft het CBR onterecht geconcludeerd dat eiser door niet te verschijnen niet heeft meegewerkt aan zijn EMG. Dat betekent dat het CBR eisers rijbewijs onterecht ongeldig heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is moet het CBR het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep.
21. Gelet op deze uitspraak is slechts één uitkomst mogelijk bij een nieuwe beslissing op bezwaar, namelijk dat het primaire besluit wordt herroepen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf te voorzien in deze zaak. Omdat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt is de ambtshalve herroeping die daarin staat niet langer rechtsgeldig. De rechtbank herroept daarom het primaire besluit. Omdat de rechtbank het primaire besluit herroept vanwege een aan het CBR te wijten onrechtmatigheid veroordeelt de rechtbank het CBR tot het vergoeden van eisers proceskosten in bezwaar.
22. De rechtbank stelt de proceskostenvergoedingen vast op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze vergoeding bedraagt voor de proceskosten in beroep € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De vergoeding voor de proceskosten in bezwaar bedraagt € 666,- omdat de gemachtigde een bezwaarschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De totale proceskostenvergoeding komt daarmee op € 2.534,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 oktober 2025;
- herroept het primaire besluit van 8 september 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het CBR tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
N.I.W. Smeets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026 .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 2:8
Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, slechts elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 130
1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld
[…]
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
[…]
Artikel 132
1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich:
a. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.
2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van:
a. de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, indien deze kosten op grond van artikel 133, vierde lid, voor rekening van betrokkene komen.
[…]
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 9
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:
[…]
c. niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de educatieve maatregel zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven;
[…]

Voetnoten

3.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6160, r.o. 6.2.
4.De Afdeling 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:213, r.o.4.
5.De Afdeling van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:468, r.o. 5.
6.De rechtbank wijst op de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van de advocaat-generaal van de Hoge Raad van 15 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:355.